Probeerde ik in Pondicherry het dansfestival van Mahabalipuram te ontlopen, kreeg ik er een yogafestival voor in de plaats. Na een eerste nacht in overigens een prachtig gebouw - een opgeknapt huis in het oude centrum, een binnenkoertje omgeven door rode zuilen, een zonnig dakterras en Tamil filmaffiches boven m’n bed - werd me de volgende middag gezegd dat ik m’n boeltje bij mekaar moest nemen - omdat in stad een vierdaags yogafestival plaatsvond was het ganse hotel volgeboekt. Fuck - dat hadden ze me daags voordien ook al kunnen laten weten. Een nieuwe slaapplaats vinden bleek moeilijk en uiteindelijk kwam ik terecht in karakterloze nieuwbouw waar het leek dat de kamers verhuurd werden om iemands ambitieus geschatte lening te helpen afbetalen.

Dan toch maar een dag vroeger dan gepland richting Mahabalipuram getrokken, en yeah baby! Nooit smaakten banana pancakes zo zoet. Een kustplaatsje en backpackersoase zoals je die nauwelijks vindt in het Zuiden van het land. Typisch voor zo’n backpackersoase is het een karikatuur van zichzelf geworden. Ooit stond het dorp bekend om z’n strandtempel en fraaie beeldhouwwerken, nu is het vooral een samengeharkte hoop aan guesthouses, restaurants, cafeetjes en kledingsshops waar je jezelf kan uitdossen als Jimi Hendrix alvorens in je braaksel te stikken.

Prima plek dus om m’n laatste dagen door te brengen, met volop keuze aan goede accomodatie, lekker eten, bier a volonte en een bevolking die westerlingen al jaaaren gewoon is. Achtjarige professionele straatventers die onberispelijk Engels praten, Kashmiri shopeigenaars, bedelende fake Sadhu’s, maar vooral heel laid-back en vol backpackers - over straat sloffen mooie hippe meisjes uit alle windstreken met boeiende borsten, waar ik soezend in de zon mijmerend naar staar over de rand van m’n boek.

Het is een vissersdorp - een echte strandvakantie moet je je erbij niet voorstellen. Een klein deeltje van het strand is voorbehouden aan vastberaden zonnekloppers, maar het grootste stuk ligt vol vissersboten. De plaatselijke bevolking heeft de gewoonte om er ’s morgens z’n behoefte te doen - overal liggen drollen te wachten tot de middagse vloed ze meesleurt naar zee. Tegen de vroege namiddag oogt het zand daardoor mooi goudbruin. Het is vooral uitkijken tijdens je ochtendlijke strandwandeling, sommige vissers lijken daags voordien een stevige viscurry van twee kilo gegeten te hebben.

In mijn borstenstaren ben ik overigens niet alleen. Rijke middle-class Indiers uit Chennai en verder komen afgezakt naar het strand om op westerse losbandigheid in bikini te gapen. Langs de kust liggen een tiental restaurantjes die gedecideerd op een retro-publiek mikken met namen als het Santana Beach Restaurant of het Bob Marley Cafe, en je kan er ook bier krijgen - stiekem, want ze hebben geen licentie, en je vindt er dan ook niets over terug op het menu. Indiers zijn over het algemeen slechte drinkers, en in lallend Engels zitten ze vanachter hun design-zonnebrillen het Westerse vlees te keuren. Stilzwijgend keur ik mee.

Van hieruit neem ik woensdagmorgen een taxi rechtstreeks naar de luchthaven van Chennai, want dat is niet zo heel ver. Blogberichtjes hoef je niet meer te verwachten - naast wat zatte lyriek over borsten zal ik toch niet veel meer te vertellen hebben dan “Vandaag las ik een boek. Het was mooi weer”, “Vandaag wandelde ik over strand. Het was mooi weer.” of “Vandaag dronk ik een frisse pint. Het was mooi weer.”

Het is hier mooi weer, trouwens.

Salut!