Na de oranje soepjurken van Tiruvannamalai, meende ik naar backpackers-enclave Mahabalipuram te trekken om daar m’n laatste dagen te slijten in een wiegende hangmat met een boek en een gezicht vol banana pancake. In de krant las ik echter dat daar zonet een dansfestival van start is gegaan dat een maand duurt en tienduizenden bezoekers lokt. Geen lachertje, want dansvoorstellingen bezorgen me huiduitslag en haaruitval, maar dit betekent vooral dat een slaapplaats vinden er niet evident zal zijn. Het drukke weekend vermijd ik dus al maar best, en maandag zal ik pogen er een hangmat vanonder iemands rug te trekken.

Tiruvannamalai verlaten zou me noordelijk naar een - hmpff - tempelstad leiden, zuidelijk naar een - ik word misselijk - tempelstad, en westelijk naar een - zucht - industriestad. Dus trok ik maar weer oostelijk naar de kust, en kwam zo uiteindelijk toch terecht in Pondicherry. En eigenlijk valt me dat goed mee. Tot eind jaren vijftig was dit Frans koloniaal bezit, een lap grond van een paar honderd vierkante kilometer aan de Golf van Bengalen. De oude binnenstad heeft een aparte sfeer - met een beetje goede wil waan je je in een Franse mediterrane zomer - verbazingwekkend propere straten, witgekalkte kerkjes en mooie okerkleurige woonhuizen met een voortuintje vol bougainville. Dat het bier hier spotgoedkoop is helpt.

In Tamil Nadu betaal je zo’n honderd roepie voor een fles bier van 650 ml - als je er al kan vinden. Rond alcohol hangt een taboesfeer, je vindt het sporadisch in louche Wine Shops on the wrong side of the tracks, waar het tuig van het dorp zich rond verzamelt. De fles krijg je in een zwarte plastic zak aangereikt door een getraliede venster terwijl iemand op straat interessante obsceniteiten in je natte oor brult. Ik drink het haast nooit, want ik voel me ongemakkelijk neokoloniaal met zo’n dure pint in m’n handen. Honderd roepie is ongeveer anderhalve euro, maar in India is dat gigantisch veel geld. Zo kostte m’n goedkoopste hotelkamer tot hiertoe me honderdzeventig roepie en eet ik ’s middags voor dertig roepie m’n buik vol in eenvoudige restaurants, soms betaal ik maar tien roepie voor simpele kost in een barakje.

Pondicherry geniet als voormalige Franse kolonie nog steeds een speciaal status en hier wordt het bier nauwelijks belast. Een 650 ml fles met de ronkende naam Haywards 5000 Super Strong Beer 8% AC, kost me vijfenveertig roepie. Lang geleden dat ik nog wat dronk - een eerste fles bezorgt me een aangenaam zoemende kop, een tweede doet me lispelen met ongefocuste ogen, bij een derde slaan mensen op de vlucht om dekking te zoeken in de tsunami-shelters terwijl overal in stad sirenes loeien. Na een vierde hoor ik de sirenes al niet meer, opgeslokt als ik ben door de grote golf. Met een domme grijns urineer ik in haar warme water.