In oktober 1995 wilde ik de trein nemen van Bijapur naar Mumbai - toen nog Bombay - maar door een slechte verbinding raakte ik niet verder dan Sholapur, nog geen honderd kilometer in de goede richting. Daar bladerde een zuchtende stationsbediende met tegenzin door de lange lijsten, om me dan te vertellen dat ik twee dagen moest wachten tot er plaats zou zijn op een trein tot Bombay. Dan maar op zoek naar een hotel - een fietsrickshaw bracht me naar een paar groezelige pensionnetjes in de stationsbuurt, maar daar keek men enkel raar op en stuurde me telkens weer verder. Tot ik uiteindelijk belandde in het Sai Prasan Hotel - niet te duur maar gloednieuw en comfortabel, achteraf bleek het een van de beste hotels waar ik op m’n reis had overnacht.

Dertien jaar later en opnieuw moet ik wachten op een trein in Sholapur. Ik stap van de bus en tegen de autorickshaw-wallah zeg ik vastberaden, “Sai Prasan Hotel”. Knetterend schiet hij in gang en brengt me op een paar minuten tijd tot voor de deur van mijn oude hotel. Het voelt vreemd - op de Mumbai-luchthaven na, betreed ik voor het eerst op mijn reis vertrouwde grond, en ik voel een zeker enthousiasme, benieuwd naar wat van de plek geworden is. Als ik beneden om een kamer vraag, blijkt de manager ondertussen een paar tanden kwijtgespeeld te zijn, maar z’n kop doet me nog een vaag belletje rinkelen. De kamer daarentegen - die is haar ganse gebit kwijt.

Op amper dertien jaar tijd is die van frisse en aangename ruimte herschapen in een smerig kot met een kleverige vloer, vuile muren met rode paanspatten, smerige zwarte vlekken en afgebladerde verf, de badkamer vol kalkaanslag die geel ziet van de urine. De ramen sluiten niet meer, de regelknop van de ventilator hangt ergens halverwege de muur te bengelen aan een blote stroomdraad, op een tafeltje staat een televisie, maar die blijkt stuk. Meteen zeg ik dat ik ze neem.

Een wandeling door stad doet op vele momenten vertrouwd aan, maar net zo vaak merk ik hoe India geevolueerd is. Opvallendst zijn de fietsrickshaws - daar is geen spoor meer van te bekennen tussen de looddampen van de alomtegenwoordige autorickshaws. Sommige oude gebouwen zijn verdwenen, of tenminste - onherkenbaar gemaakt achter blinkend nieuw opgetrokken gevels die spreken van het spiegelraam-fetisjisme van de Indische middenklasse. De grootste straten liggen er properder bij dan weleer - er rijdt me zelfs een vuiniswagen voorbij - en heel wat mensen lopen er goedgekleed en goedgeluimd bij - de zaken draaien goed in Sholapur voor de lucky few.

Ik was niet van plan er halt te houden, want veel heeft de industriele stad niet te bieden. Het oude fort is een bezoek waard, maar op een uurtje tijd heb je hier alles gezien. Wel kom ik voorbij een pracht van een neo-gothisch gebouw dat stamt uit de Brits koloniale periode - volslagen kitch als een overdadig versierde taartendoos.

Eigenlijk wilde ik twee nachten in Tuljapur doorbrengen, een pilgrimsoord dat een vijftigtal kilometer noordelijk ligt. Ik vond er moeilijk onderdak - langs de grote baan lagen degelijke hotels, maar die stuurden me allemaal wandelen. Leek alsof ze er niet happig op waren onderdak te verschaffen aan backpackers. Er heerst momenteel een zekere achterdocht voor buitenlanders na de aanslagen in Mumbai, dat lijk ik alleszins soms te merken. Uiteindelijk vond ik een plek in het van ouderdom in mekaar stuikende Government Rest House, waar de kalende concierge me vriendelijk ontving en een vervallen kamer aanbood die sprak van oude grandeur.

Tuljapur is ondanks zijn kleine omvang een drukke plek en richt zich helemaal op de hindoepilgrims die massaal op de plaats afgezakt komen, de straten een voortdurende braderie vol kraampjes met religieuze parafenilia. Bedelaars lopen verkleed als mythische figuren over straat en klampen je aan, besnorde mannen fluisteren je toe, “puja, puja”, hun kraam vol bloemen en kokosnoten. Een stoet zingende vrouwen passeerde me, eentje had een schotel vast met een berg rood poeder. In het voorbijgaan wipte ze snel op haar tenen, smeerde een stip op m’n voorhoofd en vroeg er dan geld voor - ze kreeg een schampere lach. Alle wegen leiden naar de centrale tempel, een berg sandalen aan de toegangspoort.

Een onverwachte stroompanne bezorgde me een slapeloze nacht in het Government Rest House. Tijdens het slapen heb ik de gewoonte de ventilator te laten draaien. Niet vanwege de warmte, want ’s nachts koelt het hier af tot een zes- a zeventien graden, maar wel omdat muskieten door de luchtstroom er niet in slagen je te steken. Er zat niets anders meer op dan me helemaal in m’n laken te wikkelen, maar de muggen wisten me toch nog lek te prikken en door hun irritante gezoem wakker te houden.

India zit met een energieprobleem want stroompannes zijn erg courant. Op de meeste plekken is er simpelweg geen electriciteit op bepaalde uren van de dag - meestal van de middag tot de vroege avond. Als ’s avonds op m’n kamer in Sholapur de gloeilamp plots nog maar enkele watt aan licht lijkt te stralen - enkel de gloeidraad is zichtbaar in het duister - stap ik naar beneden, want dit is ongewoon. De ganse tweede verdieping blijkt hetzelfde probleem te hebben. Na een uur weet men het te fiksen, waarna op m’n deur geklopt wordt. Een van de hotelbediendes duwt omstandig op de schakelaars om te tonen dat alles het weer doet - wat me natuurlijk al duidelijk was - en houdt dan zijn hand omhoog. Soms is het enerverend hoe men voor alles baksheesh verwacht. Dat men in een hotel de electriciteit bij problemen terug doet werken - toch de normaalste gang van zaken, zou je denken. In India verwacht men achteraf een fooi. Ik duw hem zuchtend een beduimeld briefje van vijf in de hand en stuur hem lopen.

Vanavond de trein naar het Zuiden. In Tamil Nadu zal ik me waarschijnlijk beperken tot meer courante bestemmingen, en ik kijk er eigenlijk wel naar uit om af en toe weer een toerist tegen het lijf te lopen. Ik begin te snakken naar een normale conversatie, en euhm - een banana pancake zou er ondertussen wel ingaan.