Een oude boer roept iets naar me en wenkt me dichterbij. Ik stap van de weg en maak een brede pas over de droge greppel, zodat m’n voet neerploft op het dorre akkerveld. Naast me staan drie zwarte buffels met hun neus tegen de grond gedrukt, loom kijkt er eentje op. De boer komt me ondertussen tegemoet en roept nog wat. “Hindi nahin”, zeg ik en schud m’n hand even in de lucht. Ik spreek geen Hindi - en over m’n Frans ben ik trouwens evenmin tevreden.

Hij wijst naar de weg. Daar staat een buffelkalf in z’n eentje meditatief te herkauwen. Als we ernaast staan, slaat hij met de hand liefdevol op de flank en wijst dan op mij en weer terug naar het kalf. Wat? Misschien ziet hij een gelijkenis met me, want het is inderdaad een bijzonder mooi kalf. Of wil hij het me verkopen? Even komt me een beeld voor geest, waarin ik langzaam het dorp weer kom binnengeslenterd op de glanzende rug van het beest. Maar ik moet mezelf en de man teleurstellen, want ik vermoed dat de honderdvijftig roepie en drie sigaretten die ik momenteel op zak heb, niet tot een geslaagde transactie zullen leiden.

Stoppen in Ambajogai bleek een goede zet. Het is een klein commercieel centrum voor de agrarische streek, een dorp van pakweg vijfduizend inwoners en al eeuwenlang bewoond. Langs de provinciale hoofdbaan liggen recentere gebouwen, maar achterin is het een organisch gegroeid kluwen aan steegjes en oude huizen, overal staan kleine tempeltjes en moskeeen. Veel van de oudste huizen zijn elk afzonderlijk omringd door stevige metershoge muren, met een enkele smalle toegang en hooggeplaatste kleine ramen. Het lijkt te wijzen op een verleden van oorlog en invasies, of van rijkelui die angstvallig hun bezittingen beschermden. Op goed geluk een weg belopen leidt al snel naar de rand van het dorp, waar de verharding stopt en je op stoffige paden tussen de lage doornstruiken en droge landbouwgrond kan wandelen. Af en toe langs resten die spreken van het verleden - oude paviljoenen die nu dienst doen als opslag voor sprokkelhout, een vervallen muur die een stuk omwalling lijkt geweest te zijn.

Een van die wegen volgt het riviertje dat dwars door het dorp loopt, en komt zo voorbij een paar kleine tempels. Het moet ooit een bijzonder idyllisch zicht geweest zijn, maar nu drijft op de stinkende beek een dikke laag wit schuim van de erin geloosde detergenten, de oevers herschapen in een vuilnisbelt, ergens ligt een opgezwollen hondenkarkas. Scharrelende watervogels lopen op hun steltpoten verloren tussen het plastic - instinctief zoeken ze het water op, maar wat ze hier dan precies moeten komen zoeken lijkt hen niet meer duidelijk.

Terug in het dorp stop ik even aan een houten kotje waar een paan-wallah sigaretten verkoopt, om er een paar in te slaan. Een pakje van tien kost afhankelijk van het merk tussen de twintig en dertig roepie, maar men verkoopt ze veelal per stuk - twintig roepie is behoorlijk wat geld voor een arme boer. Drie Gold Flakes, alstublieft. Hij biedt me er een leeg sigarettenpakje bij, maar ik bedank hem en vis eentje uit m’n broekzak om ze er voorzichtig in te schuiven. Bedachtzaam kauwend op mijn peuk kom ik voorbij een geopende deur. Binnen zit een man op bed de tabla te bespelen, een andere zit met gekruiste benen op de vloer en zingt een lied, een repetitieve melodie vol lang aangehouden tonen. Twee huisjes verder staat een chai-wallah, waar ik een glaasje chai aan vraag. Ik zet me op een krukje en puf de tabaksrook de lucht in, terwijl ik sippend van de mierzoete thee luister naar de hypnotiserende klanken en droom van buffelkalveren.