13 Dec 2008
Touch me, I’m Sikh
Bericht geplaatst door wim op reis 2008-09 INDIA
Het valt me pas op als de kleine jongen plots bij z’n oor met het gezicht tot bijna tegen de grond getrokken wordt. Ik zit palak paneer te eten in het New Punjabi restaurant, en heb zicht op straat. Die ligt erbij als tachtiger jaren Beiroet - men heeft de weg verbreed en daarbij met een bulldozer simpelweg een meter van de voorgevels van alle gebouwen geschraapt. Ze lijken een betonnen honinggraat - open koten met gekartelde muren en vloeren, door geopende deuren zie je dat mensen hun hebben en houden eenvoudigweg naar de achterste kamers hebben verhuisd.
Tussen het puin dat langs weerszijden van straat ligt, heeft een rijk koppel Punjabi Sikhs zich op een paar kromme stoelen gezet. Achter hen staat een draaiende ventilator op de grond, het snoer leidt naar mijn restaurant. Een kleine donkere Marathi jongen staat ernaast en bedient hen op hun wenken. Mevrouw haar glas is leeg en verveeld houdt ze het een beetje omhoog, waarop de kleine toesnelt en het van haar overneemt. Hij komt ermee binnen gedragen en laat het bijvullen door de uitbater, alvorens met snelle beentjes weer naar buiten te spurten.
Ik zit in Nanded - een belangrijk bedevaartsoord voor de Sikhs, en een middelgrote stad die geografisch zowat pal centraal ligt in India. Ver weg dus van het Sikh-thuisland in de Punjab - aan het uiterlijk te zien is een groot deel van de bevolking uit het Noorden geimmigreerd. De plaatselijke Hindoebevolking is straatarm - dit in sterk contrast met de Sikhs, die duidelijk vruchten plukken van de Sikh-diaspora en al het geld dat vanuit het buitenland toestroomt. Op dikke motors laten al even dikke oude Sikhs hun baard wapperen, terwijl de jeugd door de straten cruist in hun 4X4’s, gekleed in Amerikaanse basketballshirts.
Maar ook hoor je er soms een paar in zwaar Brits accent met mekaar praten - van overal ter wereld komen ze op deze plek af. En zeker nu, want dit jaar herdenkt men de driehonderdste sterfdag van de tiende en laatste Sikh-guru - de Guru Gobind Singhji - en die ligt hier begraven. Ook voor een niet-Sikh is de plek het bezoeken waard, want de gurudwaras die de belangrijke heilige plekken markeren zijn prachtige gebouwen, van wit marmer met rijk reliefwerk. Niet dat hier veel buitenlandse toeristen komen - ik vroeg aan een Sikh waarmee ik op straat in gesprek raakte of ze er hier veel zagen, en die zei - oh jazeker! Vorige maand bijvoorbeeld waren er twee Amerikanen! En een Spanjaard!
Om alle mensen dit jaar op te vangen heeft de Sikh-gemeenschap een hoop nieuwe pilgrimaccomodatie gebouwd - waarin ze onderdak bieden aan ieder die dat nodig heeft. Vreemdelingen onbezoldigd onderdak bieden is een belangrijke regel in het gastvrije Sikhisme, en slenterende toeristen als mezelve laten zich dat welgevallen. Zo verblijf ik nu in de - ik haal diep adem - Sri Guru Gobind Singhji NRI Yatri Niwas, met gloednieuwe en naar Indische normen prachtige kamers. Daar geld voor vragen strookt niet met het Sikhisme, maar slimme zakenlui als ze zijn, hebben ze er een achterpoortje voor gevonden. Per nacht moet ik hier een ’service fee’ betalen van vierhonderd roepie - toch weinig geld voor zo’n comfort. Zeker in vergelijking met de smerige hotelkamers waar ik het de voorbije dagen op de boerenbuiten mee moest stellen, en soms bijna evenveel voor moest dokken.
Morgenvroeg trek ik die boerenbuiten weer in - langzaam slenter ik richting Sholapur, waar ik op de achttiende December een trein geboekt heb. Die zal me op zowat vijfentwintig uur tijd tot helemaal in het Zuiden van het land brengen, naar de grote tempelstad Madurai in Tamil Nadu. Maar zover zijn we nog niet - Marathi-boertjes, houd uw petjes vast want ik kom er weer aan!