Longji Titian staat bekend om terrasbouw in haar meest verregaande en indrukwekkende vorm. De bergen zijn hoog, en haast vanaf de top tot helemaal beneden in het dal door geduldig en eeuwenlang werk omgevormd tot rijstvelden die in kleine trapjes de contouren van de bergflank volgen.

Het oogt al bijzonder indrukwekkend vanuit de vallei, maar ik besluit me voor zonsondergang aan een beklimming te wagen en wandel naar een paadje waar ik een stel kinderen op zag verdwijnen, smalle treden van grote stenen die langs de bergwand steil omhoog leiden. Al snel loop ik zwetend tussen de groep die blijkbaar net van school komt en zoals elke avond met de boekentas op de rug huiswaarts klimt.

Eerst tussen meisjes die verlegen fluisterend elkaar aanstoten en zich giechelend verbazen om de grote bleekscheet die tussen hen loopt te banjeren, later tussen de jongens die me stoer proberen uit te dagen door me vanalles naar de bezwete rug te roepen, waarschijnlijk iets over mijn moeder en zwarte matrozen. Ik krijg zin om er een paar bij het nekvel te grijpen en ze van de berg naar beneden te smijten, benieuwd hoever ik ze kan gooien terwijl ze als springballen van terras tot terras stuiteren.

Dan hoor ik geroep vanaf een rijstterras net boven het pad. Daar staat mijn zoveelste oud vrouwtje te gebaren dat ik fout zit en dat dit pad slechts naar een dorp leidt. Ik keer me om, en opeens timide gaan de rotventjes me uit de weg. Een minuut lang keer ik terug op mijn schreden als ik weer geroep achter me hoor. Het vrouwtje gebaart dat ze me omhoog zal leiden, loopt voor me op en slaat een nauwelijks zichtbaar zijpaadje in, steil naar boven en haast volledig overwoekerd.

Ze gaat gekleed in de tradionele klederdracht van de streek. Een dik geweven vest van hel fuchsia, een zwarte broek waarover ze een korte zwarte rok draagt met vanachter een soort lappenwerk van bonte kleuren. De lange haren zitten samengebonden onder een zwart katoenen mutsje, aan haar uitgerokken oorlellen hangen zware zilveren ringen te bengelen. Niet meteen wat ik zelf zou aantrekken, maar het staat haar wel. Ze loopt met een stevige tred voor me op, ik haast buiten adem erachteraan, van inspanning de smaak van metaal in de mond.

Na een twintigtal minuten klimmen staan we aan de top, en ligt onder ons het dorp met errond het onwaarschijnlijke zicht op de terrassen, als een topografische kaart waarop hoogtelijnen staan aangeduid - de glooiing van de berg verdeeld in vlakken en krommende lijnen. Helaas is alle rijst al geoogst, waardoor slechts bruine modder en afgesneden stengels in de velden staan - het moet een magnifiek zicht vormen als de planten groen zijn en het water als in balkonnetjes de blauwe lucht weerspiegelt.

Terwijl ik daar zwetend op sta te gapen hoor ik achter me geploeter. Het vrouwtje ligt op de rug te draaien en te keren in de natte modder, steeds wilder, het bruine water spat in het rond. Haar kleren eerst vol bruine vegen, al snel doorweekt van de modder. Het wijde vestje wordt zwaar en zakt haar van de hals waar ik grote gleuven, als kieuwen heftig zie flapperen terwijl haar mond zich steeds groter openspert, wagenwijd, binnenin een dieproze geribde holte als de mond van een zeebaars, happend naar lucht. Eerst ontsnapt haar een schril gepiep, dat bruusk als de stem van een puber overslaat naar een galmende bas - zo ligt ze daar, op haar rug, loeiend als een rund, ondertussen trager wentelend van haar ene zijde op de andere, haar armen slaan met harde klappen in het slijk.

En zo eindigt weer een evenementvolle dag in het vreemde China.