Als ik rond de middag in het chaotische busstation van Longsheng arriveer, vind ik de bus die me de bergen in moet brengen niet meteen. Ik wil reizen naar de rijstterrassen van Longji Titian, en da’s best een mondvol Chinees gebral. Mensen sturen me van hot naar her tussen de blauwe uitlaatgassen, buschauffeurs rochelen uit hun raampje alvorens op een bus aan de andere kant van het station te wijzen. Ik loop in rondjes.

Een man in een grijsgroen afgedragen jasje stapt naar me toe en toont me een gekreukte brochure met foto’s van de wereldvermaarde rijstterrassen. Door zijn jongensgezicht is zijn leeftijd moeilijk te schatten - hij staat er een beetje in mekaar gedoken bij, zijn versleten schoenen schuiven in het stof alsof hij een dansje maakt op muziek die enkel hij kan horen terwijl zijn linkerhand met een sigaret speelt. Ik knik en met zijn sigaret wijst hij naar een klein busje, verscholen in een donkere hoek van het station.

Hij blijkt zelf een passagier te zijn, zet zich naast me en biedt me een sigaret aan. Ik sla ze af, want zijn sluwe blik verraadt dat ze niet louter uit vriendelijkheid aangeboden wordt. Inderdaad - nog voor we het station uitrijden maakt hij me duidelijk dat hij een hotel heeft in Dazhai, een dorpje in het hart van Longji Titian, en dat hij me ernaartoe zal brengen.

Ondertussen besef ik dat het volop laagseizoen is in de streek, en dat een hotelkamer vinden in Dazhai absoluut geen probleem zal vormen. Ik doe dus mijn best om hem af te wimpelen, geen zin om me door een blinde belofte te binden aan een ongeziene hotelkamer, terwijl ik in het dorp zelf maar te kiezen zal hebben. Na een tijdje zet hij zich half van me weggekeert, schouders opgetrokken, ik voel me haast schuldig.

Twee uur duurt de busrit, we klimmen over een smalle stoffige baan door een vallei met beneden een rivier die ons schuimend tegemoet stroomt terwijl hij zich een weg zoekt tussen de rotsblokken en daarbij in zijn ongeduld voortdurend over de eigen voeten lijkt te struikelen. Af en toe pikken we mensen op langs de baan, met manden vol versuft kijkende kippen en dichtgeknoopte juten zakken. Eentje wordt me voor de voeten gelegd en nadat hij begint te bewegen alsof er een stel worstelaars in zitten floept het hoofd van een verontwaardigd kwekkende eend uit een gat tevoorschijn als een gevederde Houdini.

Op hetĀ einde van de weg slechts een onverharde plek om de bus te keren en een afdakje. Iedereen stapt uit en ik volg hen over een pad van afgesleten stenen plavuizen naar het dorp, op de hielen gezeten door mijn zelfverklaarde gastheer. Als we een bocht omslaan ligt het dorp voor ons, tegen een helling het ene hotel na het andere. Geen enkele toerist te zien, hoteleigenaars zitten voor de geopende deuren van hun lege woonsten een kaartje te leggen, slurpend van mokken thee. Mijn gezel roept iedereen die we passeren wat toe.

Ik wil een hotel helemaal vanboven, met een ongehinderd zicht op de bergen rondom. Puffend onder mijn rugzak laat ik tijdens de klim mijn gezel voorgaan, en boven aan de dorp staat hij me breed grijnzend op te wachten, en wel net voor de deur van een van de hotels waarop ik mijn oog had laten vallen. ‘This is my hotel’, zegt hij trots. Zoveel te beter.

Pan Am Tan blijkt een uitstekende gastheer. Scherpzinnig - het zinnetje waarmee hij me verwelkomde blijkt zowat z’n enige kennis van het Engels te zijn, maar hij verstaat steeds snel wat ik met gebaren of woordjes uit mijn phrasebook wil zeggen.

Het grote houten gebouw is leeg, Pan’s familie de enige mensen die me gezelschap houden - vrouw en dochter, samen met zijn stokoude en kromgewerkte ouders. Ik krijg de beste kamer aangeboden voor twintig yuan - op de tweede verdieping, vanuit de ramen een prachtig zicht. Een uiterst simpel hotel - niet bijzonder goed onderhouden met stoffige ruimtes, een onfrisse gedeelde badkamer, krakende houten vloeren en minimale inrichting - wat moet doorgaan voor de lobby een lege ruimte van twintig meter op vijf die de ganse benedenruimte beslaat en waarin enkel een tafel, zes stoelen en een televisietoestel staan, in de hoek een scheve pompbak.

Meteen wordt me thee uitgeschonken en moedertje duwt me een paar mandarijnen in de hand. Wat eet ik? Mijn toverwoorden worden weer uitgesproken - ‘Wo chi su’ en een kwartier later zit ik uitgehongerd te eten van gebakken chinese kool met look en chili en een kommetje rijst.