Vanmorgen naar de bank gewandeld om van de grootstad gebruik te maken en als vanzelfsprekend met m’n bankkaart geld uit de Chinese Muur te halen. Schrok toen ik de kaart tevoorschijn toverde, want ze bleek helemaal geplooid in m’n geldbeugel te zitten. Voorzichtig weer recht gekregen en alles ging als een tiet.

M’n geldbeugel draag ik achter m’n broek. Door alle bankbiljetten die er nu inzitten tekent zich daar een onnatuurlijke bult af, die blikken van ontzetting ontlokt aan de vrouwen die me op straat passeren en wiens ogen onwillekeurig afdwalen naar m’n kruis. Niet dat ik hier een probleem van wil maken.

Met al die grote bankbiljetten - letterlijk - op zak naar de supermarkt gegaan, waar ik er probleemloos mee kan betalen en zo wat kleinere biljetten weerkrijg, die nodig zijn om langs straat wat te kunnen kopen. De supermarkt biedt zo ongeveer alles. Je kan gewoon naar China komen zonder ook maar enige bagage - er is hier niets wat je niet kan vinden.

Misschien beeld ik me wat in, maar het lijkt alsof de oudjes er met de handen in de rug nog steeds vol verwondering rondkuieren, betoverd door het gigantische aanbod dat maar relatief recent is, veronderstel ik. Alles heeft een hoge standaard van hygiene en de ruimte is aangenaam ingericht - maar dan zie je de gebraden hondenkarkassen in de vleesafdeling en merk je weer in China te zijn.

In de drankafdeling stond de Shingtao aan 29 eurocent voor een halve literfles, ook Heineken stond in de rekken, maar m’n blik dwaalde meteen af naar Chinees gebrouwen Pabst Blue Ribbon! “Heineken? Fuck that shit! Pabst Blue Ribbon!” Gooide er een hoop geroosterde bonen en pitten bovenop in m’n mandje, en wat kleine tetrablikjes melk - de volgende weken brengen me op plekken waarvan ik niet zeker ben genoeg eiwitten in m’n eten te kunnen krijgen.

Tot hiertoe valt het trouwens goed mee vegetarisch eten te vinden. In Hong Kong was het soms even zoeken, maar kon je steeds terugvallen op de Indische restaurants van Chungking Mansions. Ik vond er ook een grote shopping mall waar ze een take-away counter hadden met, naast de varkens- en andere gerechten, ook een vegetarische sectie. Vrij goedkoop en steeds volwaardige gerechten die ik daarna op een bank in het belendend parkje kon naar binnen slurpen.

Hier in Chengdu heeft m’n hotelletje een restaurant waar ze de locale specialiteit - pikante tofu met varkensgehakt - als ik erom vraag zonder gehakt bereiden. Even verderop is er ook een oud boeddhistisch tempelcomplex waar een openbaar restaurant aan verbonden is dat enkel vegetarische gerechten serveert. Daar kan ik dus lukraak eender wat op m’n bord laten scheppen, en ‘t is erg lekker.

De volgende twee dagen trek ik naar Langzhong, zou een klein stadje zijn een beetje noordoostelijk van hier, met een goed bewaard gebleven stadskern. Zeldzaam in China, waar de drang naar vernieuwing overal losjes doorheen bulldozert. Daarna verplichten de buslijnen me om voor een nacht terug te keren naar Chengdu, en daags nadien trek ik zuidwaarts. Chengdu is ondanks z’n grootte een aangename plek om te vertoeven, dus als een echte verplichting ervaar ik het niet.

En nu ga ik nog wat over straat slenteren - pronkend met m’n bult.