Door slaapgebrek vanmorgen om zes uur met een lijkbleke kop Mongkok verlaten. Was blij van dat kamertje verlost te zijn, want een eigen badkamer is natuurlijk een aangename luxe als je low budget reist, maar in m’n vensterloos kot hing daardoor een voortdurende muffe, vochtige lucht. Zes uur ’s morgens lijkt vroeg, om een vliegtuig te halen op het middaguur in Chinese grensstad Shenzhen, maar in China hanteert men de irritante regel dat je minstens twee uur voor vertrek moet inchecken. Geen idee waarom, misschien om zorgvuldig met een kammetje door je bagage te gaan, alles uit te stallen en er mee te poseren voor een camera in obscene houdingen om achteraf thuis er eens goed mee te lachen over een glas warme Shingtao. Dit is slechts een vermoeden, weet alleen dat ik het zo zelf zou doen.

De luchthaven ligt meer dan dertig kilometer verwijderd van Shenzhen en ik had nog geen idee hoe er te raken - een luie taxi wilde ik zeker niet. Een ochtendtrein genomen vanuit Mongkok Station die zich op een dik halfuur via de bizarre satellietsteden van Hong Kong noordelijk werkte, naar de Chinese grens. Dat 1997 nog maar tien jaar geleden is viel daar meteen op - de grens was een soort brede slotgracht aan weerszijden door Chinese autisten voorzien van prikkeldraad, glasscherven en camera’s. Maar de overgang zelf verliep gelukkig erg soepel, moest wel invullen of ik enige rare besmettelijke ziekte zou hebben opgelopen en het grote middenrijk binnenbracht. ‘No’, kruiste ik aan, en deed m’n best om m’n kriebelende keel te negeren, want m’n vochtig kruipkot in Hong Kong heeft me een natte hoest bezorgd.

Eens de grens over sta je daar plots op een gigantisch plein, en kon ik op zoek naar een busje richting luchthaven. Meteen werd duidelijk dat er een groot verschil is tussen de Engelse kennis in Hong Kong en China - had dat eerlijkgezegd niet verwacht al te merken in Shenzhen. Maar er kwam al een wijsvinger en m’n Mandarijns Phrasebook aan te pas. Wat een avontuur. Vooral toen dat boekje plots explodeerde! In het gezicht van de buschauffeur! Neen - geen idee waarom ik hier loop te vermelden hoe ik op zoek ging naar zo’n onnozel busje. Misschien omdat haast geen enkele rugzaktoerist zich de kleine moeite getroost, zo lijkt het haast alsof het wel een hele onderneming moet zijn. Maar dat is het dus niet, wandel wandel, blablabla, busje in.

Even wachten tot er genoeg passagiers zijn, en wij zijn weg voor een rit van bijna een uur. Eerst door Shenzhen - dat toont hoe Chinezen vooral met gigantische fallussymbolen hun hervonden welvaart willen tonen. Weinig subtiele torens die hoog, hoger, hoogst gaan met vanboven dan nog een flinke eikelachtige bol, om alle twijfel weg te nemen waar het hier om draait. Over een uitstekende nieuwe expressweg naar de luchthaven, waar ik dus veel te vroeg al zat om in slaap te vallen in de hal, en wakker te schrikken door een muzakversie van ‘Now I Wanna Be Your Dog’.

De vliegreis verliep uitstekend en stipt - met als in-flight movie een documentaire over Stephen Chow (!) - en nu zit ik met een enorm suffe kop in Chengdu. Zonet een tweetal uurtjes door stad gewandeld, en ik kan de Chinese rochel-en-spuug gewoonte meteen ontzettend waarderen. M’n natte hoest lokte blikken vol bewondering van omstaanders die goedkeurend brommend toekeken hoe ik om de twintig meter zorgvuldig m’n keel- en neusinhoud over het trottoir deed spatten. Heerlijk.