Uit m’n vliegtuig gevallen en me een weg gezocht naar Mongkok - de drukste wijk van Hong Kong en daardoor eigenlijk het drukste stuk urbanisatie ter wereld. Dat wist ik. En ik kende Mongkok al door alle films die er zich afspelen. Dat dacht ik. Maar niets kon me voorbereiden op de massa mensen die hier over straat krioelt. Mieren zijn amateurs - in Mongkok weet men er pas een hoopje van te maken. Tussen al die waanzin een hotelletje gevonden ergens op de zevende verdieping van een oud flatgebouw, pal in het centrum van de wijk. Relatief goedkoop - zesentwintig euro per nacht - een vensterloos kruipkot. Een snelle douche later stapte ik beneden frisruikend uit de lift en zat meteen weer tot over m’n zorgvuldig gewassen oren in het hele zwetende gebeuren.

Alles roept herinneringen op aan Hong Kong-cinema, merkwaardige ervaring. Hippe jonge triad-figuurtjes met hun Japanse rebellenlook die overdadig opgemaakte grietjes met zich meesleuren. De schreeuwerige lichtreclames op Nathan Road. De miniscule shops - twee meter diepe groten van Ali Baba, piraterij in overtreffende trap. Het duwde me allemaal meteen in de richting van een bioscoop - wilde erg graag Johnnie To’s nieuwste zien, en welke plaats is daar beter voor geschikt dan een Mongkok-cinema? Een Europese arthouse-zaal, zo bleek. Hong Kong-cinema is dood. De locale programmatie bestond uit Resident Evil zoveel en nog wat andere Hollywood-producten. Morgen me de jetlag resoluut van de schouders schudden en verder op zoek naar Johnnie To’s Mad Detective.

Morgen! Benieuwd naar Mongkok bij daglicht. Ik liep hier vanavond alleszins al een paar uur grijnzend als een idioot over straat. Fantastische buurt.