Oude berichten van December, 2008
December 2, 2008
Dertien is een geluksgetal
Ik keek er eigenlijk van op. Toen ik me in de transitruimte van Dubai neerplofte op een stoel bij gate 226 - waar m’n vlucht naar Mumbai drie uur later zou vertrekken - zaten daar toch al een dertigtal bleekscheten te wachten. Stemde me gerust, want ik twijfelde sterk aan mijn persoonlijke Rudi Vranckx-factor, om uitgerekend nu naar Mumbai te trekken. Tot de vlucht naar Colombo van Gate 227 werd omgeroepen en zowat al die westerlingen zich recht zetten. En toen waren we nog met vier. Vier kleine blanken. Die gingen naar Mumbai. Eentje werd er doodgemumbaid. En toen waren sie noch mit drei. Oder so etwas.
Om acht uur ’s morgens landden we in Mumbai. Met India als nieuwe economische grootmacht, had ik verwacht op de luchthaven al met m’n neus in de Indische opmars geduwd te worden, maar merkte er eigenlijk weinig van. Geen symfonie van staal en glas om het economische wonder te bezingen, wel nog steeds diezelfde bedompen krakkemikkigheid die eerder doet denken aan de beschimmelde keuken van een goedkope huurstudio met een maandcontract, ergens in een grootstedelijke stationsbuurt.
Tijdens de paniek van vorige week had ik m’n hotelreservering opgezegd en online een trein geboekt naar Nasik, een flink eind verderop. Op een stadsplan leek het Kurla treinstation maar twee wandelende vingers van de luchthaven te liggen, maar de taxirit bleek toch haast een uur te duren. In Mumbai gonsde het weer van de activiteit, of tenminste - had het verkeer zich enthousiast vastgereden. Ik vroeg m’n chauffeur of hij muziek kon opzetten - en als rijdende discobar slalomden we tussen de bussen, autorickshaws en de blinkende Japannertjes van de middenklasse.
Het was trouwens merkwaardig hoe makkelijk ik opnieuw in de Indische plooi viel. Door het slaapgebrek tijdens de lange reis zweefde ik op een wolk van stoicisme, en de massale politieaanwezigheid aan de luchthaven zorgde ervoor dat de taxichauffeurs voor een keer niet te moeilijk deden. Meer nog - toen de sympathieke pezige oude man me uiteindelijk aan het station afzette, gaf ik hem een welkome fooi van twintig roepie, waar ik normaal gezien veeleer geneigd ben tot een lange scheldpartij met slaande portieren.
Aan de oude Kurla treinterminus was ‘t een en al chaos en tumult. Men laat er steeds meer treinen vertrekken om de klassieke terminals te ontlasten, want het spoorverkeer krijgt de twintig miljoen Mumbaiers slechts kokhalzend nog geslikt. Het kleine stationsgebouw is daar helemaal niet op berekend, en je kon er dan ook over de koppen lopen. Gelukkig zweefde ik nog steeds op diezelfde wolk van stoicisme over de koppen heen, om op het perron m’n rugzak neer te gooien tussen de massa, en daar een uur gehurkt tussen de hurkenden te hurken.
Als de trein aarzelend het station komt binnengekreund volgt de bestorming en een paar minuten later zit ik er versufd bij als ik m’n gereserveerde zitplaats deel met twee twintigers en hun stapel bulkende valiezen. Ze spreken geen woord Engels, maar grijnzen me vanachter elkaars schouder vriendelijk aan, terwijl ik vantussen de tralies van het geopende venster India aan me voorbij laat trekken. Een India dat eigenlijk nauwelijks veranderd lijkt op die dertien jaar tijd. Misschien ruikt het iets sterker naar kak.
5 Reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 3, 2008
De achtarmige god der vuilnis
Als ik ’s morgens door Nasik slenter, slaat de achtarmige god der vuilnis me met al z’n handen tegelijk vlak in het gezicht. Langs straat staat een oude man een stel plastic zakjes, stukgetrapte bloemknoppen, lege paanwikkels, besmeurde stukken krantenpapier, opgedroogd braaksel en een koeienvla bij mekaar te vegen om er tegen een lage muur een hoopje van te maken. Voorzichtig hurkt hij door zijn krakende knieen en houdt er een aangestreken lucifer bij tot de boel begint te smeulen. Kuchend onder de walmen kan je daarna de zuiverende kracht van het vuur bewonderen, zoals die hier al eeuwenlang wordt bezongen.
De gemiddelde Indier is oerconservatief - overal word je geconfronteerd met oude gebruiken die je door de explosieve bevolkingsgroei en industrialisatie enkel nog als waanzinnig kan beschrijven. Nasik is een belangrijk pilgrimsoord, een stad die groeide rond de bovenloop van de heilige Godavari rivier. In wezen is het prachtig hoe men rivieren vereert en bedankt om het water dat voor leven en vruchtbare akkergrond zorgt. Maar ondertussen lijkt die eens machtige Godavari een open riool die zich door de stad keutelt, langsheen de ghats en tempels waar bedevaarders zich baden in het donkere water en er met gekuipte hand een slok van nemen.
Dwalend door de labyrinthische oude stadskern, sla ik tussen plassen donkere smurrie een nauw steegje in, dat plots overgaat in een overdekte galerij met tongewelf. Binnenin duistere krochten waar eeuwenoude walmen als organisch overheen ademen, enkel belicht door de gele gloed van zwakke peertjes. In de flauwe schijn zit een oude vrouw achter enkele rijen godenprentjes, die ze op de kale stenen voor zich heeft uitgespreid. Naast haar een man bovenop een stapel textiel die omstandig een laken vouwt en me nieuwsgierig aanstaart terwijl zijn handen routineus verder bewegen. Een uitgemergelde hond ligt dwars over straat en doet me schrikken, want bijna trap ik erop. Hij kijkt zelfs niet op, heftig gaat zijn borstkas op en neer. Een volledig in wit geklede man verkoopt metalen kaders in alle vormen en formaten. Hij staat indringend te praten met een potentiele klant en schenkt me geen aandacht. Enkele stappen verder sta ik weer in het licht, waar het steegje bergaf gaat en even verbreedt. Twee kinderen staan met een bal naar mekaar te gooien, terwijl een derde erop kijkt, zittend op een lege stootkar, achter hem een diepe nis, volgestouwd met afval. Opnieuw een korte galerij, die uitgeeft op de oude smalle weg die naar de rivier leidt. Een groep pilgrims loopt zingend tussen de verzakte winkeltjes van de drukke straat, gadegeslagen door een bejaarde bloemenverkoopster die hen nog naroept dat ze de mooiste bloemenkransen van stad verkoopt.
India laat zich moeilijk in woorden vatten - de geuren, de klanken, de kleuren, ze vormen een overweldigend geheel dat je eigenlijk vooral sprakeloos laat. Een constante wisselwerking tussen uitersten. De stank van verrotting, uitwerpselen en uitlaatgassen vecht in een voortdurend kolkend palet met de wierrook, de kruidengeuren en de bloemenparfums. Het constante getoeter en geraas van de autorickshaws, hier en daar overstemd door muziek of de mantra van een straatventer. De miserabele armoede waartussen de piekfijn uitgedoste kinderen van een rijke familie hand in hand lopen te stralen, en de grandiose pracht van de oude tempels en gebouwen, verscholen onder honderden jaren verval.
2 Reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 4, 2008
Ter land, ter zee en in de lucht
Hijgend beklim ik het pad, op weg naar de bron van de Godavari rivier. Zeldzame bomen zorgen voor een rustpauze in de schaduw, groepjes pilgrims voor conversatie. Vier oudere mannen, allevier gekleed in een witte dhoti met een nehru-hoed, zitten op een rij op een muurtje. Een van hen heeft een dun grijs snorretje en draagt een zware bril met bokaalglazen. Met twinkelende ogen spreekt hij me aan.
“What is your country?”
“Belgium.”
“Punjab?”, reageert hij ontzet.
“No, Bel-gium.”
“Belgium - America?”
“Europe.”
“England?”
“Close to England.”
“O-ho”, hij kruist zijn benen.
Een eind verderop een drietal - ik vermoed twee broers en hun zus - alledrie achteraan de twintig. Ze lopen me eerst voorbij, maar de vrouw begint luid te lachen en roept de twee terug. Ze zetten zich met z’n drie naast me. Een van de broers zit met een prangende vraag.
“What is your country?”
“Belgium.”
“Belgium?”
“Europe, uhm - close to England.”
De vrouw neemt de conversatie over en kan duidelijk beter Engels.
“My sister lives in London. She’s married to a software engineer.”
“Oh - and where do you come from?”
“We’re from Andhra.”
“From Andhra? That’s a long journey.”
“Yes, we’re from Puttaparthi.”
Puttaparthi - de naam zegt me iets, maar ik kan het niet meteen plaatsen.
“Sai Ram”, zegt een van de broers behulpzaam.
“Hmmm”, zegt me helemaal niets. Sai Ram - Heilige Rama of zo? Een gesprek in Telugu volgt tussen de drie. Lijkt alsof ze m’n reactie uitermate bizar vinden.
“Sai Ram, Sai Ram”, probeert hij nog eens.
Ik haal m’n reisgids boven en blader naar een kaartje van Andhra Pradesh. De vrouw wijst naar de zuid-westelijke hoek van de staat. Ah - natuurlijk - Puttaparthi, waar de ashram van Sai Baba ligt.
“Sai Baba”, zeg ik. Niemand reageert. “Sai Baba?” Geen reactie. Ik besluit maar van onderwerp te veranderen.
“How much farther to the top, you think?”
“Oh - we’re about halfway, I would say.”
Zwetend als een rund nader ik een halfuur later de top. In de steile klif is een terras gehouwen, waar een houten kraampje met een strooien dak op geinstalleerd staat. Een vrouw verkoopt er bloemen en fruit aan pilgrims zodat die het kunnen offeren aan het simpele tempeltje dat rond de bron is gebouwd. Ik ga uitgeput zitten op een muurtje en tracht m’n ademhaling onder controle te krijgen, terwijl ik zie hoe twee oude pilgrims arriveren en meteen gezwind hun sandalen uitschoppen om de priester aan de bron toe te snellen. Die prevelt wat, doopt een zilveren bekertje in het water en giet het leeg in hun handen, waarna ze het water plechtig naar binnen slikken.
Achter me klinkt plots geblaf en gekrijs als een hond vanuit het kraam springt en een dikke aap verjaagt die met een paar bananen wilde gaan lopen. De verkoopster haalt een katapult boven en mikt de aap nog een paar stenen achterna, terwijl die blazend en grommend van de klif weer naar beneden klimt. Ik raap alvast ook maar een scherpe steen van de grond en voel z’n gewicht in mijn hand. Apen. Venijnige beesten.
Een groep tieners stapt op het terras en blijft aarzelend op een afstand staan. Af en toe roept er iemand “yeah man” en “hello man”, waarna alle ogen eventjes verwachtensvol op me gericht worden, hopend op een reactie. Ik kan net een flauwe glimlach forceren. Eentje stapt op me af.
“What is your country?”
“Belgium.”
“Belgium!”, roept hij naar de groep, waarop iedereen druk begint te praten, maar niemand lijkt de naam te herkennen.
“You come motor?”
“Sorry?”
“You come motor?”
“Uhm - no, by bus.”
“Oh - bus. You come plane?”
“What?”
“Where your plane?”
“Where is my plane?”
“Yes, your plane.”
“No plane - bus.”
“motor?”
“Uhm - I’m sorry. Goodbye”, en ik sta met een slappe zwaaihand recht om aan de afdaling te beginnen. Lijkt niet alsof er op mij gerekend kan worden om een nieuwe ontwikkeling te verwezelijken in Indisch-Belgische relaties. Maar hij wenkt me terug. “Photo?” Een van z’n vrienden maakt zich los van de groep en gebaart een foto van ons twee te willen nemen. Ik zet me weer neer en krijg slechts een kromme grijns tevoorschijn getoverd, maar hij heeft nu alleszins een pracht van een souvenir aan deze ontmoeting met de Belg die met bus, vliegtuig en motorfiets naar de bron van de Godavari rivier trok.
5 Reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 6, 2008
“Hello my good friend!”
Aurangabad is een historische stad in Centraal-India met een sterk islamitisch karakter. De aanslagen in Mumbai hebben de Indische moslimgemeenschap geschokt - vergeet niet dat zowat een derde van de onschuldige slachtoffers moslim was. De motieven worden nadrukkelijk politiek benoemd - religie komt er niet bij kijken en de plaatselijke imams hebben een gebeurtenissen scherp veroordeeld. Natuurlijk zat de schrik er ook goed in dat hen een deelse verantwoordelijkheid zou worden aangerekend door de Hindoe-meerderheid, zoals dat in het verleden vaak gebeurde met gewelddadige afrekeningen, ditmaal gelukkig niet.
Met Pakistan staan de relaties uiteraard wel zwaar onder druk, en alle plannen voor economische samenwerking zijn meteen afgeblazen. Toch lijkt het alsof de bevolking zijn kalmte weet te bewaren. In de pers wordt er voortdurend op gewezen dat Pakistan momenteel een verdeeld land is, waar de overheid geen enkele controle heeft over grote gebieden. Een land ook, waar een schimmig geheim politie-apparaat een eigen spel speelt, samen met het leger dat enkel gebaat is bij een voortzetting van het gewapend conflict in Kashmir.
De aanslagen zijn dus vooral bedoeld om de recente toenaderingspogingen tussen de erfvijanden een halt toe te roepen, zodat het Pakistaanse leger haar macht niet afgebouwd ziet, en verzekerd blijft van de enorme sommen geld die erin gepompt worden - geld waarvan vanzelfsprekend veel terecht komt in de zakken van de corrupte legertop. Een militaire reactie zou dus net in de kaart spelen van de verantwoordelijken achter de tragedie. Men roept momenteel om een gerichte actie met een internationale macht, in samenwerking met de Pakistaanse overheid. Tot zover uw reporter ter plaatse. Waarschijnlijk staan de kranten er bij jullie ook vol mee op pagina zevenentwintig.
Maar Aurangabad, dus. Een ongewoon groot deel van de stadsbevolking is moslim, en ik heb nog maar zelden zoveel hartelijke begroetingen gekregen op straat in India. Een welgezette en breedlachende man die me vanuit het stof met open armen tegemoet komt - “Hello, my good friend!”. Een oude man met een henna-kleurige baard die op de stadsbus twee zetels voor me zit, en plots naar me wuift om teken te doen dat ik de volgende halte eraf moet om naar de Bibi-Qa-Maqbara te gaan. Ik noem maar wat op. Toen ik door de islamitische wijk wandelde hing er soms een wat ongemakkelijke druk, maar het was mooi die van mensen hun schouders te zien vallen, als ik de weg vroeg en ze me konden helpen.
De Bibi-Qa-Maqbara bleek een onterecht weinig bekende parel van Mughal-architectuur. Een mausoleum gebouwd door Shah Jahan’s kleinzoon Shah Azam als grafmonument voor zijn moeder - brave jongen. Ontegensprekelijk zwaar beinvloed door Shah Jahan’s overbekende Taj Mahal in Agra, maar toch - de weinig respectvolle bijnaam van ‘armeluizen Taj’ doet het mooie gebouw oneer aan.
Veel beter bekend zijn de grottempels van Ellora, waar ik gisteren naartoe trok. Ik was er pas rond een uur of vier in de namiddag, maar dat bleek perfect. Vermits het complex om zes uur ’s avonds sluit, was het overgrote deel van de bezoekers alweer weg, en had ik sommige tempels helemaal voor mezelf - de stenen die onder het licht van de zonsondergang prachtige warme kleuren aannamen, als achtergrond de avondnevel die over de rondliggende jungle viel. Je moest erbij geweest zijn. Ik had als enige gezelschap een stel apen. Venijnige beesten.
8 Reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 7, 2008
J.C. and the Sunshine Gang
Oh help. Vanmorgen besloot ik toch nog een dag in Aurangabad te blijven en het oude fort van Delautabad te bezoeken, om toen ik rond drie uur terugkeerde te merken dat men bij de buren een groots huwelijksfeest plant. De geluidsinstallatie werd al uitvoerig getest, want men wilde weten of de volumeknop tot 12 kon. Dat kon hij.
Daulatabad bleek een indrukwekkende plek - ik heb er een paar beelden van in de
gallerij gezet - maar scoorde vooral fenomenaal hoog op de ‘may I take your picture’-schaal. Zomaar liefst vier keer werd me gevraagd of ik bij een stel intens grijnzende mensen op de foto wilde, wat volgende voorlopige tussenstand oplevert:
Daulatabad - 4
Ellora - 1
Trimbak - 1
Aurangabad - 0
Nasik - 0
Hou er alsjeblieft wel rekening mee dat ik in Ellora waarschijnlijk de foute kleren droeg.
Trouwens - wie is J.C.? Een horde giechelende schoolmeisjes op uitstap riep me toe, “Hello J.C.! Hello J.C.! Are you J.C.?” Jezus Christus? Jef Castermans? Joan Collins? Het is me een raadsel. Ik vervloekte het meteen dat ik er niet simpelweg naar gevraagd had, maar de uniformpjes waren ondertussen al verdwenen bovenop de lange trappen van het fort. Die had ik een halfuur eerder nog zwetend beklommen, waardoor ik een achtervolging dan ook maar weinig zag zitten. Maar toch. Een cricketspeler? Een popidool? Een acteur? Als hij op me lijkt hoop ik voor hem dat hij meer rad van tong is. Ook op m’n vorige Indiareis werd ik met de meest uiteenlopende personen vergeleken - het blijft bizar. Nu moet ik wel eerlijk bekennen dat ik ooit op een fuif met een zatte kop tot vervelens toe tegen een zwarte stond te zagen dat hij als twee druppels op Barry Stevens leek, gewoon omdat de arme man een rond brilletje droeg.
De terugrit van Daulatabad begon al veelbelovend, toen een tot sharetaxi omgebouwde jeep voor me stopte en een twintig roepie-rit aanbood tot Aurangabad. Ik trok de deur open en er viel een oud vrouwtje uit. “11+1″, zo stond in grote gele kleefletters op de voorruit te lezen - de chauffeur en elf passagiers. Daar was de taxi voor gelicentieerd, maar toen ik instapte was ik alvast de veertiende. Hoe het mogelijk was weet ik niet, maar onderweg werd er nog vier man bijgestouwd. Meteen maakten we duidelijke afspraken, zodat we beurtelings konden in- en uitademen. De deur van de laadbak bleek overigens stuk, en zwaaide herhaaldelijk open tijdens de rit. Ik hoopte dan ook dat er een paar van m’n medepassagiers uit zouden rollen maar het mocht helaas niet zijn.
In m’n hotel ben ik niet langer enige gast. In de vroege avond arriveerde een Japanse toeriste wiens smalle kuitjes me nonchalant voorbijgeslofd kwamen op hun flip-flop sandalen, zonder dat ze me een blik waardig gunde. M’n hormonenspiegel steeg meteen, terwijl m’n stemtimbre twee octaven daalde. Heb dan maar een koude douche genomen. Maar later op de avond werd het hier plots de zoete inval, als ganse families genodigden van het trouwfeest hun intrek namen. Ondertussen bleert het hier langs alle kanten - luide muziek, knallend vuurwerk, joelende kinderen en kijvende moeders. Oh rampspoed.
Wacht eens even - J.C. - Jennifer Connelly? Indien dat zo mag zijn, trek ik nu al m’n kleren uit en ga de rest van de avond m’n naakte lichaam bewonderen in de spiegel.
5 Reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 8, 2008
Korte metten met de Mahatma
In de kleine hoofdstukken die India-reisgidsen aan Maharashtra wijden, keren steeds weer diezelfde paar bezoekenswaardige plekken terug, en hardnekkig weigerde ik te geloven dat de ganse staat niets meer te bieden heeft. Dus nam ik de bus naar Deulgaon Raja - een boerenplek die min of meer halverwege tussen Aurangabad en m’n volgende bestemming ligt, en euhm - hier valt geen bal te zien. Daarvan waren de dorpelingen natuurlijk al lang op de hoogte en verbaasde ogen onder gefronste wenkbrauwen waren mijn deel, toen ik met mijn rugzak door de stoffige hoofdstraat slofte. Toch ben ik blij hier halt te hebben gehouden, want de dorpskern is karaktervol met oude woonhuizen en winkeltjes. Zonder enige grandeur weliswaar, maar - karaktervol, in tegenstelling tot de veelal louter pragmatische barakjes die je op de meeste plekken aantreft.
Als ik in het wilde weg wat door het dorpje slenter komt een stel tieners op me af en eentje vraagt me in het Engels waar ik heen wil. Ik wijs op de lage geruineerde toren die zichtbaar is achter een rij armzalige huisjes. Hij zegt me dat daar nauwelijks nog wat van rest, en dat er weinig te zien valt. Dan haal ik maar m’n notitieboekje boven, want daarin had ik de naam neergepend van een graftombe die ergens in een uithoek van het dorp zou moeten staan - zo leerde het alwetende internet me. Daarop had ik via google een uit de jaren zestig stammende beschrijving teruggevonden van het dorpje, waarin de Mothi Samandi werd omschreven als een uiterst sierlijke graftombe in de Bijapuri-stijl. De Mothi wat?
Eerst wordt er druk overlegd, maar uiteindelijk weten ze waar die zonderling heen wil, en wandelen ze met me mee om de weg te tonen. Drie jonge gasten - twee van een jaar of veertien en eentje van achttien, gok ik. We belanden tussen de katoenvelden, op een landweg die ook dienst blijkt te doen als openbaar toilet. Terwijl we voorzichtig verder stappen met onze blik op de grond gericht, knoop ik met Sandy een gesprek aan - hij studeert voor ingenieur in Jalna waar hij op pensionaat zit, z’n ouders wonen in Nasik, en op z’n vrije dag is hij afgezakt naar het huis van zijn grootouders. Het gewoonlijke gesprek ontwikkelt zich, waarin naar m’n land, werk en opleiding gevraagd wordt - de twee jongsten lopen achteraan slechts wat te grijnzen.
Indiers zijn er steeds bijzonder op gebrand je te kunnen plaatsen in de wereld en lijken geobsedeerd door rangen, klassen en maatschappelijke status - hoe hoger, hoe liever. Dus ik tracht geloofwaardig over te komen als ik met uitgestreken gezicht vertel dat ik een Masters Degree heb in Dutch Language en het derde hoogste niveau bekleed op een Belgisch ministerie waar ik met duizelingwekkende sommen geld moet omgaan. Meteen verander ik van een mislukkeling met een afgedragen broek in een soort Mahatma Gandhi die met een simpele levensstijl z’n klaarblijkelijk rechtmatige hoge standing verwerpt. En zo walsen we tussen de drollen.
De ‘uiterst sierlijke graftombe’ blijkt net dat - uiterst en sierlijk, maar ook slechts een paar meter hoog en uiteindelijk maar weinig indrukwekkend. Wel indrukwekkend is de manier waarop ze hier volslagen verloren staat tussen de akkers. Een twintigtal meter verderop staat nog een met gras begroeide muur recht van wat ooit een paleisje moet zijn geweest, tenminste - dat beweert Sandy. Hier en daar kan je inderdaad nog kunstige afwerking zien die erop wijst dat het geen simpel gebouwtje was. Een oud paleis waar nu een eenvoudig afdak tegen staat geplaatst om de buffels onder te laten liggen.
Mijn drie beste vrienden leiden me daarna nog wat door het dorp - we bezoeken een hindoetempel waar een priester me iets zoets, lauws en romigs in de hand giet, dat ik met - naar ik hoop goed verborgen - weerzin wegslik. Je doet het als eerbetuiging aan ene Sri Balaji die daarna je wensen zal vervullen, maar een potentieel explosief toiletbezoek had ik daarbij niet als eerste in mijn gedachten.
Sandy vraagt me of ik dorst heb en wat wil drinken. Ja! Goed idee. Hij zegt me dat het huis van zijn grootouders vlakbij ligt, en als we een hoek omslaan, staan we bij de rij armzalige huisjes waar ik de drie voor ‘t eerst tegen het lijf liep. Voor een van die aarden huisjes zitten met een brede lach en trotse ogen de oom en tante van Sandy, fier dat hun neefje die vreemdeling weet rond te leiden. Achter hun huis een steegje en daar ligt de eenkamerwoonst van de grootouders, waar me een plaats aangeboden wordt op het harde bed, dat ook dienst doet als zetel.
Even verdwijnt Sandy achterin, terwijl mijn ogen wennen aan de schemering. Een kale kamer. Plots merk ik beweging naast me. Daar ligt een stokoude uitgemergelde dame in een laken gewikkeld op de grond. Haar huid dun gespannen over de slapen met die typische vale en haast doorzichtige schijn van iemand die op sterven ligt. Af en toe tekent een knokige knie zich af onder het textiel als ze een been plooit. Ze heeft haar ogen gesloten en lijkt zich niet bewust van mijn aanwezigheid. Waar ben ik terecht gekomen? Als student ingenieur, op kamers in Jalna, zijn bovengemiddelde kennis van het Engels en piekfijne kledij - ik verwachtte me aan een middenklasse familie. De twee jonge ventjes zitten ondertussen stralend van plezier naast me met hun benen bengelend van het bed. Sandy keert terug en geeft me een metalen drinkbeker met kraantjeswater.
Nu voel ik me al helemaal ongemakkelijk worden, want ik kan niet anders dan dit vriendelijke gebaar af te slaan. Als westerling van het Indische kraantjeswater drinken, daarvan word je immers doodziek. Ik tracht het zo keurig mogelijk te verwoorden, maar kan uit zijn reactie niet opmaken of hij erdoor gekwetst is of niet. Moet wel - dus nadat hij voorstelt om verder te gaan, probeer ik me buiten nog te verontschuldigen. Nu blijkt dat hij perfect weet waarover ik het heb, en begint me zelf uit te leggen dat de bacteriologische omgeving door een westerling niet verdragen wordt. Tot daar mijn Mahatma-waan. Ik vraag me af waarom hij me dat water dan aanbood, maar voor ik de vraag kan stellen, schakelt hij het onderwerp naar Bollywoodfilms, en pratend over Sholay, Rangeela en Satya wandelen we naar mijn hotel. Daar neemt hij afscheid van me, en verontschuldigt zich voor mijn uitnodiging om hem vanavond op eten te trakteren, omdat hij bij zijn grootouders moet blijven en nog wat te doen heeft voor school.
Het is een simpel dorp, en zo ook het hotel. De uitbater spreekt geen Engels - enkel Marathi. Het dorp heeft slechts uiterst eenvoudige en smerige dhaba’s met snacks als wada en pakoras, en als ik ’s avonds met handen en voeten uitleg dat ik honger heb, maar geen restaurant kan vinden, duurt het lang vooraleer hij me begrijpt. Na een tijd begint het luide gegrom van m’n maag alle communicatiepogingen te overstemmen en meteen roept hij iemand erbij, die op een motorfiets springt en me meepakt voor een dolle rit tussen de verblindende lichten van toeterende vrachtwagens, naar een wegrestaurant verderop waar ik me tot barstens toe aan de channa masala met chapati’s begeef. Als ik later te voet terugkeer is mijn omvang zo enorm dat de vrachtwagens van ‘t verschieten hun toeter inslikken en me gedwee uit de weg gaan.
Nog geen reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 10, 2008
Kleurentwijfel, uitzinnige kleuters en een uitdagend spurtje
“Is ‘t langs hier?” - ik krijg een paar niet-begrijpende blikken toegeworpen. “Gaat het pad hier verder?”, en ik wijs naar een plek waar de jungle minder dicht begroeid lijkt. Ogen bekijken mijn uitgestoken hand, een paar hoofden draaien zich weg, maar niemand in de groep zegt wat. Ik ben in m’n eentje aan het dwalen door de jungle in de Lonar-krater en probeer de weg te vragen aan een stel apen.
De wetenschap stelt dat de Lonar-krater vijftigduizend jaar oud is - toen kwakte hier een meteoriet neer die een gat van zowat twee kilometer doorsnede sloeg in de harde basalte ondergrond. Later ontstond er op de bodem een meer, dat van kleur twijfelt tussen groen en blauw door zijn unieke minerale samenstelling. De tweehonderd meter hoge wanden zijn begroeid door dichte jungle, en beneden langs de rand van het meer staan de ruines van duizend jaar oude hindoetempels.
De avond voordien was ik al een keer naar beneden geklommen, maar de zon stond toen te laag om nog aan een wandeltocht rond het meer te beginnen. Een steil pad leidde naar beneden en eindigde aan een verlaten tempel. Groepjes jongeren zaten er vuurtjes te stoken, waarrond ze met mekaar wat hingen te leuteren. Als ik de volgende dag rond een uur of negen ’s morgens dezelfde weg bergaf volg, kom ik echter niemand tegen. Ik sla een welbelopen pad in, dat waarschijnlijk naar de grotere tempel leidt die je vanaf de kraterrand langs het water kan zien liggen, aan de overkant van het meer.
Het is hier stil. Vogels schrikken schel kwekkend op als ik door het groen wandel, gevolgd door een diep soort kort geloei in de verte, maar het is zeker geen rund. Wat voor geluid maken herten, vraag ik me af. Ik besluit dat het stellig een diep soort kort geloei moet zijn, en uitermate tevreden met mijn antwoord stap ik verder. Ik kom voorbij een vervallen tempel, van waaruit een kakofonie van schril gekwetter klinkt. Met een voet over de dorpel slaat de warme stank van de vleermuizenkeutels me in het gezicht, en samen met het overweldigende lawaai bekruipt me tegen beter weten in een ongemakkelijk gevoel, waardoor ik me weer uit de voeten maak. Goed gezien van die vleermuizen - moest ik binnenkort eens met rust gelaten willen worden kan ik ze tot voorbeeld stellen, de grond rondom me uitvoerig beschijten en vooral veel lawaai maken.
Toen ik gisteren even naar het dorp meende te wandelen om sigaretten, bleek de weg die ik volgde langs een armzalige sloppenwijk te passeren. Langs de ene kant van straat de opeenstapeling van armoedige krotjes, langs de andere een vuilnisbelt, waarop twee breed lachende kleine meisjes zaten te kakken. Met vliegensvlugge handen veegden ze zo snel als het kon hun gat met water, alvast gehurkt een dolenthousiast “Hello! Hello!” naar me krijsend uit alle macht. Meteen weerklonk ook rechts vanuit een huisje een eerste “Hello?”, daarna twee, drie, en al snel liep er een horde uitzinnige kleuters rond me heen, “Hello! Hello! Hello! Hello!”, om de beurt wilden ze me stoer en parmantig de hand schudden - de twee kakkertjes zorgden ervoor dat ik steeds hun rechterhand vastpakte als ze me de linker aanboden. Stralende kinderen, gekleed in helle kleuren en met grote open ogen vol verrast plezier.
Twee moeders stonden met gekruiste armen in het deurgat en genoten mee van het spektakel. Ze fluisterden het zoontje van een van hen iets in het oor en duwden hem zachtjes in mijn richting, “Waddiesjourneem?” - de rest van de kinderen pikte het meteen op, “Waddiesjourneem! Waddiesjourneem!” “Wim!”, zei ik, zo ferm ik kon. “Wim! Wim! Wim!”, gillend van de pret liep de kleine terug naar z’n moeder die hem weer terugstuurde, ditmaal met een “Waddiesjoursistersneem?” “Hilde!”, zei ik dan maar - “Holda! Holda! Holda!”, holde hij joelend weer naar zijn moeder. “What is your name?”, vroeg ik aan de groep, en de Laxmis, Mahmuds, Santoshs, Ayishas en Krishnas vlogen me rond de oren. Mooi - erg mooi allemaal, maar begrijp me niet verkeerd - ik wilde slechts om sigaretten gaan.
Langzaam zwakt het vleermuizengekwetter af, en hoor ik enkel nog het geknap van de takken onder m’n sandalen. Plots een geruis in het bladerdek, waarna alles boven me heen en weer begint te zwiepen als een groep apen op de vlucht slaat, over de schouder kijkt een paar ogen me nog verschrikt aan. Gelukkig zijn het langur-apen. Die zijn nog vrij aangenaam in de omgang, in tegenstelling tot de meer voorkomende makaken - venijnige beestjes. Mooie apen met een zilverkleurige vacht, lange staarten en een zwart gezichtje. Als ze op de grond lopen hebben ze een koddige pas door hun lange springpoten, die achter hen lucht trappen in bokkensprongen die komisch aandoen.
Na een tijd sta ik aan de enige tempel die niet tot ruine is herleid, en dit blijkt Langur-city te zijn. Een ganse bende zit hier bij mekaar, en ze laten me duidelijk merken dat ik me op hun terrein bevind. Uitdagend spurten ze heen en weer, met luide slagen laten ze zich vallen op een paar verroeste metalen golfplaten die op de grond liggen. De tempel is nog steeds in gebruik, hij heeft een laagje verf en er ligt een stapel opengebroken kokosnoten waarmee de Shiva-lingam besprenkeld werd. Op dit vroege ochtenduur ligt hij er wel verlaten bij. Het pad lijkt op te houden, en plots besef ik dat ik aan de apen de weg sta te vragen. Als antwoord krijg ik een paar tot vraagtekens gekrulde staarten.
Dan volg ik maar een open ruimte achter de tempel, die even verder weer in een pad verandert - veel smaller ditmaal, met plantengroei die soms haar plaats weer opeist. Wel is het makkelijk te volgen, en brengt me zo op een uur tijd verder langs de volledige omtrek van het meer, voorbij nog meer vervallen tempeltjes en zwiepende boomtoppen, om uiteindelijk terug te leiden tot beneden aan het pad naar de kraterrand. Daar staar ik een tijdje vertwijfeld naar boven, en begin dan aan de beklimming waarbij ik mezelf een paar lange springpoten toewens, want een koddige pas heb ik sowieso al.
1 Reactie » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 11th, 2008
Shiva’s bijzondere penis
“Je betaalt me wat je wil - geen probleem”, zegt de oude priester met pientere ogen en een glimlach, schuddend met het hoofd. “Maar ik wil helemaal geen puja doen - ik ben geen hindoe en zou me er slechts ongemakkelijk bij voelen.” “Geen puja - geen probleem. Kom mee naar buiten, dan vertel ik je over de beelden op de tempelwand.”
Ik zit naast een zuil op de vloer van de centrale ruimte van de Jyotirlingam-tempel in Aundha Nagnath. Het is er duister en broeierig warm - eeuwenlang aangekoekt vuil en roet van wierrook hebben alles met een vette laag zwart besmeurd. In het midden een nauwelijks verhoogd stenen platform, met daarop een door rood poeder verkleurde kleine stenen lotus en overal vertrapte gele bloemknoppen. Ik sta recht om de priester naar buiten te volgen. Op de hoek van het platform zit een andere die me dichterbij wenkt. Voor ik het goed en wel besef maakt hij met zijn bepoederde duim een rode stip op m’n voorhoofd en drukt er dan nog wat rijstkorrels tegenaan. Hij houdt zijn hand op, en ik begin al maar naar kleingeld te zoeken in m’n broekzak.
Wellicht gealarmeerd door het geluid van de klinkende muntstukken, keert de eerste priester terug en loopt op ons toe. Briesend slaat hij z’n collega van me af, verwensingen roepend in het Marathi. Aundha Nagnath ligt ver van het toeristenparcours - westerlingen zien ze hier nooit, en ik word verondersteld een dikke vis te zijn die hij zich niet zomaar laat inpikken. Nu wil hij uitpakken met zijn hoge status, en duwt me de tempel verder binnen naar de hoofdkamer, voorbij de rij pilgrims die staat aan te schuiven. “Maak plaats voor de westerling!” Ik was niet van plan het heiligdom te betreden en protesteer lichtjes, maar hij heeft er geen oren naar. Eigenlijk ben ik best wel nieuwsgierig, dus ik laat me leiden.
De tempel is gewijd aan Shiva, en dat is altijd mijn favoriete hindoegod geweest. Samen met Vishnu de populairste van de duizenden hindoegoden, maar waar Vishnu eerder een braaf Jommeke-figuur is met de Lustige Kapoentjes-verhalen over zijn jonge Krishna-incarnatie, of een saaie Rode Ridder als de immens populaire Rama, is Shiva daarentegen puur Freak Brothers-materiaal. Hoog in de Himalayas woont hij, waar hij met z’n haar in dreadlocks en een cobra als halssnoer de ganse dag ganja zit te roken. Ja man. Vishnu staat voor behoud, voor een doorzetting van de huidige toestand, terwijl Shiva voor destructie en vernieuwing staat. Vishnu is Bart Kael. Shiva is punkrock. Hij wordt aanbeden in de vorm van een lingam - een fallus, en die van Aundha Nagnath is een jyotirlingam, een van de twaalf heiligste lingams die je in het land kan vinden. Een punkrockende beroepsblower die vereerd wordt in de vorm van een penis, dus. Wat je met een beetje ambitie al kan bereiken.
De tempelwachters staan er wat stuurs op te kijken, als de tierende man de mensen voor me weg duwt, en dan sta ik aan een donker en nauw gat in de vloer, met drie smalle treden die me elk een meter dieper brengen. Beneden moet ik gehurkt verder en kom zo in een piepkleine en loeihete, laag overwelfde, baarmoeder-achtige ruimte vol wierrookdampen en dreunende mantras, waar een viertal mensen gebukt op de grond zit voor priesters die in de weer zijn met allerlei potjes vol poeders en specerijen, in het midden de lingam. Het is een benauwd kamertje, we zitten allemaal tegen mekaar gedrukt en de lucht is dik. Een priester met een gigantische blote buik wendt zich tot mij en vraagt mijn naam. “Wim”, zeg ik, waarop hij allerlei oude teksten begint te prevelen en mijn voorhoofd verder bekladt met de inhoud van zijn kruidenkabinet. Hij grijpt me vanachter bij de nek en dwingt me zo diep het hoofd te buigen voor de centrale lingam. Een oude, magere priester zit ernaast en tilt een metalen Shivahoofd op - “Raak hem aan! Je kan hem aanraken!”, en nog halfgebogen leg ik mijn hand op het heilige metalen voorhoofd. Ik kan niet anders dan het me te laten overkomen, overweldigd door de hele sfeer.
Het is opmerkelijk hoe de verering bij de hindoes strikt individueel verloopt. Mijn naam werd zelfs gevraagd, zodat duidelijk was dat ik en niemand anders hier Shiva’s bijzondere penis kwam vereren. Een gemeenschappelijke geloofsbeleidenis zoals in een kerk of moskee bestaat niet. Neen - ieder voor zich, en dat is ook de enige reden waarom hindoes op tempelbezoek gaan. Ze komen vragen of de goden hun wensen wil vervullen. Voor elke wens is er wel een god - Laxmi voor geld. Ganesha voor geld. Parvati voor geld. Bijvoorbeeld. In het Westen wordt het hindoeisme als bijzonder spiritueel gezien, en de achtergronden zijn dat zeker, maar de manier waarop de doorsnee hindoe zijn godsdienst beleidt heeft puur materialistische motieven.
Als ik boven drijfnat als herboren weer uit de uterus kom gekropen, staat daar mijn ouwe priester druk gesticulerend te ruzieen met een van de tempelwachters, die me toesnauwt, “Donatie! Donatie!” - met zijn hand zwaait hij naar een oranje metalen collectebus tegen de muur. Ik prop er een biljet van tien roepie in, terwijl hij erop staat te kijken, weinig onder de indruk.
Samen met de oude man stap ik naar buiten, waar hij me wijst op de godenbeelden en vertelt over de verhalen die ze uitbeelden. Uiteindelijk is daar het moment aangebroken en vraagt hij me om geld. Vanmorgen las ik in de krant de werkadvertenties waarin jobs werden aangeboden met startloon van 3000 roepies per maand - vijftig euro. Dertig roepies lijkt me dus wel zat - maar als ik het hem geef trekt hij ogen van ongeloof en ditmaal ben ik degene die verwensingen naar het hoofd geslingerd krijgt van de ouwe driftkikker. Als ik door de grote poort het tempelcomplex verlaat, zie ik daar een lijst ophangen met bedragen van 501, 1001, tot 5001 roepies voor de verschillende puja’s. Met mijn dertig roepie heb ik een wel erg goedkope VIP-puja versierd - uhm, laat dit een wijze les zijn voor de oude malloot. En euhm - zo hebben we allemaal wat bijgeleerd vandaag. Of zoiets.
1 Reactie » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 13th, 2008
Touch me, I’m Sikh
Het valt me pas op als de kleine jongen plots bij z’n oor met het gezicht tot bijna tegen de grond getrokken wordt. Ik zit palak paneer te eten in het New Punjabi restaurant, en heb zicht op straat. Die ligt erbij als tachtiger jaren Beiroet - men heeft de weg verbreed en daarbij met een bulldozer simpelweg een meter van de voorgevels van alle gebouwen geschraapt. Ze lijken een betonnen honinggraat - open koten met gekartelde muren en vloeren, door geopende deuren zie je dat mensen hun hebben en houden eenvoudigweg naar de achterste kamers hebben verhuisd.
Tussen het puin dat langs weerszijden van straat ligt, heeft een rijk koppel Punjabi Sikhs zich op een paar kromme stoelen gezet. Achter hen staat een draaiende ventilator op de grond, het snoer leidt naar mijn restaurant. Een kleine donkere Marathi jongen staat ernaast en bedient hen op hun wenken. Mevrouw haar glas is leeg en verveeld houdt ze het een beetje omhoog, waarop de kleine toesnelt en het van haar overneemt. Hij komt ermee binnen gedragen en laat het bijvullen door de uitbater, alvorens met snelle beentjes weer naar buiten te spurten.
Ik zit in Nanded - een belangrijk bedevaartsoord voor de Sikhs, en een middelgrote stad die geografisch zowat pal centraal ligt in India. Ver weg dus van het Sikh-thuisland in de Punjab - aan het uiterlijk te zien is een groot deel van de bevolking uit het Noorden geimmigreerd. De plaatselijke Hindoebevolking is straatarm - dit in sterk contrast met de Sikhs, die duidelijk vruchten plukken van de Sikh-diaspora en al het geld dat vanuit het buitenland toestroomt. Op dikke motors laten al even dikke oude Sikhs hun baard wapperen, terwijl de jeugd door de straten cruist in hun 4X4’s, gekleed in Amerikaanse basketballshirts.
Maar ook hoor je er soms een paar in zwaar Brits accent met mekaar praten - van overal ter wereld komen ze op deze plek af. En zeker nu, want dit jaar herdenkt men de driehonderdste sterfdag van de tiende en laatste Sikh-guru - de Guru Gobind Singhji - en die ligt hier begraven. Ook voor een niet-Sikh is de plek het bezoeken waard, want de gurudwaras die de belangrijke heilige plekken markeren zijn prachtige gebouwen, van wit marmer met rijk reliefwerk. Niet dat hier veel buitenlandse toeristen komen - ik vroeg aan een Sikh waarmee ik op straat in gesprek raakte of ze er hier veel zagen, en die zei - oh jazeker! Vorige maand bijvoorbeeld waren er twee Amerikanen! En een Spanjaard!
Om alle mensen dit jaar op te vangen heeft de Sikh-gemeenschap een hoop nieuwe pilgrimaccomodatie gebouwd - waarin ze onderdak bieden aan ieder die dat nodig heeft. Vreemdelingen onbezoldigd onderdak bieden is een belangrijke regel in het gastvrije Sikhisme, en slenterende toeristen als mezelve laten zich dat welgevallen. Zo verblijf ik nu in de - ik haal diep adem - Sri Guru Gobind Singhji NRI Yatri Niwas, met gloednieuwe en naar Indische normen prachtige kamers. Daar geld voor vragen strookt niet met het Sikhisme, maar slimme zakenlui als ze zijn, hebben ze er een achterpoortje voor gevonden. Per nacht moet ik hier een ’service fee’ betalen van vierhonderd roepie - toch weinig geld voor zo’n comfort. Zeker in vergelijking met de smerige hotelkamers waar ik het de voorbije dagen op de boerenbuiten mee moest stellen, en soms bijna evenveel voor moest dokken.
Morgenvroeg trek ik die boerenbuiten weer in - langzaam slenter ik richting Sholapur, waar ik op de achttiende December een trein geboekt heb. Die zal me op zowat vijfentwintig uur tijd tot helemaal in het Zuiden van het land brengen, naar de grote tempelstad Madurai in Tamil Nadu. Maar zover zijn we nog niet - Marathi-boertjes, houd uw petjes vast want ik kom er weer aan!
Nog geen reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 15, 2008
Where the buffalo roam
Een oude boer roept iets naar me en wenkt me dichterbij. Ik stap van de weg en maak een brede pas over de droge greppel, zodat m’n voet neerploft op het dorre akkerveld. Naast me staan drie zwarte buffels met hun neus tegen de grond gedrukt, loom kijkt er eentje op. De boer komt me ondertussen tegemoet en roept nog wat. “Hindi nahin”, zeg ik en schud m’n hand even in de lucht. Ik spreek geen Hindi - en over m’n Frans ben ik trouwens evenmin tevreden.
Hij wijst naar de weg. Daar staat een buffelkalf in z’n eentje meditatief te herkauwen. Als we ernaast staan, slaat hij met de hand liefdevol op de flank en wijst dan op mij en weer terug naar het kalf. Wat? Misschien ziet hij een gelijkenis met me, want het is inderdaad een bijzonder mooi kalf. Of wil hij het me verkopen? Even komt me een beeld voor geest, waarin ik langzaam het dorp weer kom binnengeslenterd op de glanzende rug van het beest. Maar ik moet mezelf en de man teleurstellen, want ik vermoed dat de honderdvijftig roepie en drie sigaretten die ik momenteel op zak heb, niet tot een geslaagde transactie zullen leiden.
Stoppen in Ambajogai bleek een goede zet. Het is een klein commercieel centrum voor de agrarische streek, een dorp van pakweg vijfduizend inwoners en al eeuwenlang bewoond. Langs de provinciale hoofdbaan liggen recentere gebouwen, maar achterin is het een organisch gegroeid kluwen aan steegjes en oude huizen, overal staan kleine tempeltjes en moskeeen. Veel van de oudste huizen zijn elk afzonderlijk omringd door stevige metershoge muren, met een enkele smalle toegang en hooggeplaatste kleine ramen. Het lijkt te wijzen op een verleden van oorlog en invasies, of van rijkelui die angstvallig hun bezittingen beschermden. Op goed geluk een weg belopen leidt al snel naar de rand van het dorp, waar de verharding stopt en je op stoffige paden tussen de lage doornstruiken en droge landbouwgrond kan wandelen. Af en toe langs resten die spreken van het verleden - oude paviljoenen die nu dienst doen als opslag voor sprokkelhout, een vervallen muur die een stuk omwalling lijkt geweest te zijn.
Een van die wegen volgt het riviertje dat dwars door het dorp loopt, en komt zo voorbij een paar kleine tempels. Het moet ooit een bijzonder idyllisch zicht geweest zijn, maar nu drijft op de stinkende beek een dikke laag wit schuim van de erin geloosde detergenten, de oevers herschapen in een vuilnisbelt, ergens ligt een opgezwollen hondenkarkas. Scharrelende watervogels lopen op hun steltpoten verloren tussen het plastic - instinctief zoeken ze het water op, maar wat ze hier dan precies moeten komen zoeken lijkt hen niet meer duidelijk.
Terug in het dorp stop ik even aan een houten kotje waar een paan-wallah sigaretten verkoopt, om er een paar in te slaan. Een pakje van tien kost afhankelijk van het merk tussen de twintig en dertig roepie, maar men verkoopt ze veelal per stuk - twintig roepie is behoorlijk wat geld voor een arme boer. Drie Gold Flakes, alstublieft. Hij biedt me er een leeg sigarettenpakje bij, maar ik bedank hem en vis eentje uit m’n broekzak om ze er voorzichtig in te schuiven. Bedachtzaam kauwend op mijn peuk kom ik voorbij een geopende deur. Binnen zit een man op bed de tabla te bespelen, een andere zit met gekruiste benen op de vloer en zingt een lied, een repetitieve melodie vol lang aangehouden tonen. Twee huisjes verder staat een chai-wallah, waar ik een glaasje chai aan vraag. Ik zet me op een krukje en puf de tabaksrook de lucht in, terwijl ik sippend van de mierzoete thee luister naar de hypnotiserende klanken en droom van buffelkalveren.
6 Reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 18, 2008
Let’s do the time-warp again
In oktober 1995 wilde ik de trein nemen van Bijapur naar Mumbai - toen nog Bombay - maar door een slechte verbinding raakte ik niet verder dan Sholapur, nog geen honderd kilometer in de goede richting. Daar bladerde een zuchtende stationsbediende met tegenzin door de lange lijsten, om me dan te vertellen dat ik twee dagen moest wachten tot er plaats zou zijn op een trein tot Bombay. Dan maar op zoek naar een hotel - een fietsrickshaw bracht me naar een paar groezelige pensionnetjes in de stationsbuurt, maar daar keek men enkel raar op en stuurde me telkens weer verder. Tot ik uiteindelijk belandde in het Sai Prasan Hotel - niet te duur maar gloednieuw en comfortabel, achteraf bleek het een van de beste hotels waar ik op m’n reis had overnacht.
Dertien jaar later en opnieuw moet ik wachten op een trein in Sholapur. Ik stap van de bus en tegen de autorickshaw-wallah zeg ik vastberaden, “Sai Prasan Hotel”. Knetterend schiet hij in gang en brengt me op een paar minuten tijd tot voor de deur van mijn oude hotel. Het voelt vreemd - op de Mumbai-luchthaven na, betreed ik voor het eerst op mijn reis vertrouwde grond, en ik voel een zeker enthousiasme, benieuwd naar wat van de plek geworden is. Als ik beneden om een kamer vraag, blijkt de manager ondertussen een paar tanden kwijtgespeeld te zijn, maar z’n kop doet me nog een vaag belletje rinkelen. De kamer daarentegen - die is haar ganse gebit kwijt.
Op amper dertien jaar tijd is die van frisse en aangename ruimte herschapen in een smerig kot met een kleverige vloer, vuile muren met rode paanspatten, smerige zwarte vlekken en afgebladerde verf, de badkamer vol kalkaanslag die geel ziet van de urine. De ramen sluiten niet meer, de regelknop van de ventilator hangt ergens halverwege de muur te bengelen aan een blote stroomdraad, op een tafeltje staat een televisie, maar die blijkt stuk. Meteen zeg ik dat ik ze neem.
Een wandeling door stad doet op vele momenten vertrouwd aan, maar net zo vaak merk ik hoe India geevolueerd is. Opvallendst zijn de fietsrickshaws - daar is geen spoor meer van te bekennen tussen de looddampen van de alomtegenwoordige autorickshaws. Sommige oude gebouwen zijn verdwenen, of tenminste - onherkenbaar gemaakt achter blinkend nieuw opgetrokken gevels die spreken van het spiegelraam-fetisjisme van de Indische middenklasse. De grootste straten liggen er properder bij dan weleer - er rijdt me zelfs een vuiniswagen voorbij - en heel wat mensen lopen er goedgekleed en goedgeluimd bij - de zaken draaien goed in Sholapur voor de lucky few.
Ik was niet van plan er halt te houden, want veel heeft de industriele stad niet te bieden. Het oude fort is een bezoek waard, maar op een uurtje tijd heb je hier alles gezien. Wel kom ik voorbij een pracht van een neo-gothisch gebouw dat stamt uit de Brits koloniale periode - volslagen kitch als een overdadig versierde taartendoos.
Eigenlijk wilde ik twee nachten in Tuljapur doorbrengen, een pilgrimsoord dat een vijftigtal kilometer noordelijk ligt. Ik vond er moeilijk onderdak - langs de grote baan lagen degelijke hotels, maar die stuurden me allemaal wandelen. Leek alsof ze er niet happig op waren onderdak te verschaffen aan backpackers. Er heerst momenteel een zekere achterdocht voor buitenlanders na de aanslagen in Mumbai, dat lijk ik alleszins soms te merken. Uiteindelijk vond ik een plek in het van ouderdom in mekaar stuikende Government Rest House, waar de kalende concierge me vriendelijk ontving en een vervallen kamer aanbood die sprak van oude grandeur.
Tuljapur is ondanks zijn kleine omvang een drukke plek en richt zich helemaal op de hindoepilgrims die massaal op de plaats afgezakt komen, de straten een voortdurende braderie vol kraampjes met religieuze parafenilia. Bedelaars lopen verkleed als mythische figuren over straat en klampen je aan, besnorde mannen fluisteren je toe, “puja, puja”, hun kraam vol bloemen en kokosnoten. Een stoet zingende vrouwen passeerde me, eentje had een schotel vast met een berg rood poeder. In het voorbijgaan wipte ze snel op haar tenen, smeerde een stip op m’n voorhoofd en vroeg er dan geld voor - ze kreeg een schampere lach. Alle wegen leiden naar de centrale tempel, een berg sandalen aan de toegangspoort.
Een onverwachte stroompanne bezorgde me een slapeloze nacht in het Government Rest House. Tijdens het slapen heb ik de gewoonte de ventilator te laten draaien. Niet vanwege de warmte, want ’s nachts koelt het hier af tot een zes- a zeventien graden, maar wel omdat muskieten door de luchtstroom er niet in slagen je te steken. Er zat niets anders meer op dan me helemaal in m’n laken te wikkelen, maar de muggen wisten me toch nog lek te prikken en door hun irritante gezoem wakker te houden.
India zit met een energieprobleem want stroompannes zijn erg courant. Op de meeste plekken is er simpelweg geen electriciteit op bepaalde uren van de dag - meestal van de middag tot de vroege avond. Als ’s avonds op m’n kamer in Sholapur de gloeilamp plots nog maar enkele watt aan licht lijkt te stralen - enkel de gloeidraad is zichtbaar in het duister - stap ik naar beneden, want dit is ongewoon. De ganse tweede verdieping blijkt hetzelfde probleem te hebben. Na een uur weet men het te fiksen, waarna op m’n deur geklopt wordt. Een van de hotelbediendes duwt omstandig op de schakelaars om te tonen dat alles het weer doet - wat me natuurlijk al duidelijk was - en houdt dan zijn hand omhoog. Soms is het enerverend hoe men voor alles baksheesh verwacht. Dat men in een hotel de electriciteit bij problemen terug doet werken - toch de normaalste gang van zaken, zou je denken. In India verwacht men achteraf een fooi. Ik duw hem zuchtend een beduimeld briefje van vijf in de hand en stuur hem lopen.
Vanavond de trein naar het Zuiden. In Tamil Nadu zal ik me waarschijnlijk beperken tot meer courante bestemmingen, en ik kijk er eigenlijk wel naar uit om af en toe weer een toerist tegen het lijf te lopen. Ik begin te snakken naar een normale conversatie, en euhm - een banana pancake zou er ondertussen wel ingaan.
11 Reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 20, 2008
Het woord van de dag is ‘go-pu-ram’
Laat me het erop op houden dat de treinrit nogal oneventvol verliep en niet meer het rijdende circus bleek te zijn zoals ik het vroeger kende. Geen jonglerende dwergen, geen eenarmige protheseverkopers, geen geiten in het gangpad. De dansende eunuchen zijn er wel nog steeds - ze krijgen geld toegestopt als ze iedereen om beurt een goede nacht komen wensen, klappend in hun handen. Een lange rit naast de keukenwagon, met al het ongedierte dat dit met zich meebrengt. Voortdurend schoten er muizen tussen m’n voeten, kakkerlakken op wandel na zonsondergang.
Laat me het erop houden dat het gigantische tempelcomplex van Madurai weliswaar een indrukwekkende plek is om een tijd in rond te hangen, maar dat men momenteel jammer genoeg allevier de befaamde 50-meter hoge gopurams aan het restaureren is. De grote torens boven de toegangspoorten zijn allen verpakt in bamboe en gevlochten palmbladeren, tussen de kieren is hier en daar een glimp op te vangen van de wilde kleurenpracht, maar - jammer. Gelukkig heeft de stad nog veel soortgelijke torens - weliswaar veel kleiner.
Laat me het erop houden dat de norse ticketverkoper aan het Tirumalai Nayak-paleis me honderd roepie te weinig teruggaf en weigerde het juiste bedrag te geven. Je reinste diefstal - ik was ziedend. Een halfuur later kwam ik terug als passagier in een toeterende politiejeep. Trouwens - dit zal je zeker een verrassing lijken - maar bij tijden ben ik een volslagen debiel. Toen de man me het geld eindelijk weergaf, bood ik het de politieagente als baksheesh om haar hulp, wat me enkel een vlammende blik opleverde. De politie mag hier dan nog zo corrupt zijn als wat, zoiets doe je natuurlijk niet in het openbaar. En veel blijk van respect voor de geldsom gaf het ook niet. Debiel - ik zei het al.
Laat me het erop houden dat in het Mahatma Gandhi-museum de sandalen van de man tegen de muur hangen, een paar boeken uit zijn persoonlijke bibliotheek - waaronder Goethe’s Faust en alledrie de delen van The Decline and Fall of the Roman Empire - en ietwat luguber, de bebloede dhoti die hij droeg toen hij neergeschoten werd. Ook in het gebouw, een interessante pattriotistische tentoonstelling over de strijd om Indische onafhankelijkheid waarbij de komst van de Britten, ‘the arrival of whiteman’ wordt genoemd.
Laat me het hier op houden - hoe was jouw dag?
Nog geen reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 21, 2008
Kijkbuiskind
Een man met een drietand op z’n voorhoofd getekend, kijkt met open mond hoe Krishna met enkel zijn rechterhand een hemel vol donkere donderwolken en bliksemschichten omhoog houdt. Hij sluit zijn ogen, houdt z’n handen vroom samen voor het gezicht en verandert ogenblikkelijk in een oude man. Onderdanig stapt hij naar Krishna en vraagt hem om vergiffenis. De blauwe god kijkt hem met zachte ogen aan.
*zap*
Vertwijfeld slaat een jongeman zijn blik omhoog als een stevige regenbui losbarst, terwijl rondom hem alle mensen rennend beschutting zoeken. De muziek zwelt aan en hij zingt een lied. Na de tweede strofe staat hij hoog in de Himalayas te dansen met zijn geliefde, haar witte sari wappert in de bergwind.
*zap*
Een man met een forse kop staat voor een dozijn microfoons een tekst voor te lezen, terwijl de flashlampen van de pers zijn zwetende voorhoofd in korte flitsen doen oplichten. Beneden scrollt een tekst in het Tamil voorbij.
*zap*
Een zwaar opgemaakte vrouwenmond zingt een zoete melodie in het oor van een geblinddoekte man. Met een ruk draait hij zijn hoofd naar haar en samen dansen ze door de woonkamer.
*zap*
Salto’s makend schiet een zwarte motorfiets over een ravijn, landt op de andere klif en laat een spoor van vlammen en vuur achter als hij verderraast naar de horizon. De naam Honda verschijnt in beeld.
*zap*
Voor een kale muur zitten vijf kinderen in kleermakerszit op een rij. De jongen en het meisje aan de buitenkant houden een strak gespannen boog vast, waar het middelste meisje met twee stokjes op slaat en ondertussen een tekst scandeert. Eentje met vlechtjes zit geluidsloos mee te lippen en een dikke jongen kijkt met panische ogen in de camera - soms wendt hij z’n blik even angstig naar de cameraman.
*zap*
Een warm ingeduffeld koppel ligt languit op een hondenslee en glijdt zingend door de sneeuw. De man grijpt haar handen en zwaait ermee in de lucht.
*zap*
Een mooie ranke vrouw in een met zilverdraad afgewerkte sari staat voor een panoramisch nachtbeeld van de Hong Kong skyline met druk gesticulerende handen iets te vertellen in het Tamil.
*zap*
Een corpulente man in een duur maatpak lacht zijn tanden bloot vanonder een dikke snor en steekt z’n wijsvinger gebiedend in de lucht, terwijl een andere schuddend met het hoofd en ietwat gebogen toeluistert hoe hij juwelen aanprijst.
*zap*
Muziek klinkt en een jong koppel zit naast mekaar geleund tegen een pillaar. Hij kijkt lachend toe hoe ze een bal op haar vinger laat tollen en er maar even in slaagt. Hij neemt de bal van haar over maar die rolt al meteen van zijn vinger. Ze klapt in haar handen van plezier.
*zap*
Vijf vrouwen in helgekleurde sari’s stappen van een marmeren trap. Allevijf tegelijk zwieren ze hun lange vlecht over de rechterschouder en doen een dansje op een opzwepend deuntje.
*zap*
Een dikke vrouw schudt met het hoofd en knijpt haar ogen even geruststellend samen. In beeld verschijnt een glas waarin klaterende melk geschonken wordt.
*zap*
Een man in een strakke shirt en een vrouw in een zwart lederen topje staan tegenover mekaar, hun gezichten maar enkele centimeters van elkaar verwijderd. Hij zingt een lied, terwijl hun hoofden schokkend bewegen op het ritme. Ze keert het hoofd bruusk weg, waardoor haar lange glanzende haren hem in het gezicht slaan. Glimlachend richt hij zijn ogen vol genot hemelwaarts.
*zap*
Toen ik in Madurai uitcheckte vroeg de vriendelijke manager waar ik heen trok. “Pudukkottai”, zei ik, en hij keek me met grote ogen en geamuseerde mondhoeken aan. De autorickshaw naar het busstation zat even vast in het verkeer. De chauffeur vroeg me in het Tamil waar ik eigenlijk de bus naartoe wilde nemen. “Pudukkottai”, zei ik, en hij keek in de achteruitkijkspiegel onderzoekend naar mijn blik, onzeker of ik het wel meende. Aan het chaotische busstation stapte ik naar een geuniformeerde busconducteur. “Pudukkottai”, zei ik, en verbaasd herhaalde hij de plaatsnaam, om me dan op een bus te wijzen die een paar perrons verder met draaiende motor stond te wachten.
Pudukkottai leek me een prima plek om een nacht halt te houden, halverwege op weg naar Tiruchirappalli. Het bleek echter een drukke en smerige plek te zijn, waar ik na een korte wandeling al op uitgekeken was. De vroegere hoofdstad van een miniscuul zuiders koninkrijk - van het oude paleis resten nog een paar verweerde muren die nu vooral dienst doen als urinoir, de weg naar de kleine stadstempel een vuile donkere bazaar - alles is er te koop, met de geur van verrotting als gratis bonus. Maar m’n hotelkamer heeft een werkende televisie!
Nog geen reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 23, 2008
Goedkope bastaard
Met haar linkerhand houdt een moeder de arm van haar dochtertje stevig vast, met de rechter wrijft ze haar zachtjes over het achterhoofd. Lichtjes voorovergebogen staat het meisje ondertussen geluidsloos over te geven aan de bushalte. Ik stap op stadsbus 1B, in de hoop dat die me in de buurt van het grote tempelcomplex dropt. “Temple?”, vraag ik voor alle zekerheid aan de conducteur. Hij schudt bevestigend met het hoofd.
Twee haltes verder zit de bus al overvol, in het gangpad staan mensen zweterig tegen mekaar gedrukt. Als ze bruusk moet remmen, valt er iemand achterover in m’n gezicht en m’n bril doet ‘knak’. “Godverdegodverdomme!”, als ik m’n halve bril en een oor van de grond raap. De man die naast me zit port de ander in z’n rug, en roept er in het Tamil wat naar, wijzend op wat rest van m’n bril. Een man achter me begint er zich ook mee te moeien en roept ‘m ook vanalles naar het hoofd. Het lijkt alsof ze willen dat hij z’n verantwoordelijkheid opneemt en me de bril vergoedt. Als de bus vertraagt springt hij eruit en kiest het hazenpad. Terecht, want de man kon er helemaal niets aan doen. Tijdens de rest van de rit wijzen m’n twee nieuwe vrienden me nog op elke brillenwinkel die we passeren, maar ik gebaar dat het allemaal geen haast heeft en balanceer de bril scheefweg op m’n neus.
Toegekomen aan de Sri Ranganathaswamy tempel heb ik weinig moeite om de ‘gidsen’ van me af te slaan, m’n kwartslagbril deed hen al aarzelen. Een mooie plek om op je gemak te verkennen en gigantisch - zowat een vierkante kilometer groot. In het midden een Vishnu-schrijn - ontoegankelijk voor niet-hindoes - en daarrond zeven opeenvolgende omwallingen, met mekaar verbonden door poorten waarboven hoge gopurams prijken in al hun kleurenpracht. Binnen de muren staan allerlei kleinere tempeltjes en gallerijen met mooi beeldhouwwerk, en overal slenteren pilgrims en priesters met beschilderd voorhoofd. Achter de vijfde muur houden de ruwe tegels op, en stap je met je blote voeten door het mulle diepe zand - een aangename sensatie. De afwezigheid van straatlawaai, het grove zand onder je voeten, het roept een gevoel van tijdsloosheid op als je het pad kruist van twee oude priesters, slechts gekleed in een lendendoek, de ene steunend op een staf, de andere draagt een simpel koperen keteltje.
Vanuit de tempel wandel ik nog een heel eind zuidelijk, tot ik aan een oude gallerij kom. Binnen is het vochtig en duister - overal lopen mensen heen en weer, aan weerszijden zitten lange rijen bedelaars die hun hand hoog houden en passanten klaaglijk aanspreken. Aan de andere kant sta je plots aan de oever van de Cauvery-rivier, waar pilgrims een ritueel bad nemen alvorens naar de tempel te gaan. Zenuwachtig lachende kinderen staan rond een geketende olifant, de bult op zijn voorhoofd beschilderd met het Vishnu-teken. Met zijn slurf graait hij kleingeld uit hun handen, en geeft het dan aan de man die ernaast staat, een bamboestok geklemd onder zijn bovenarm.
In de vroege namiddag ben ik weer in het stadscentrum van Tiruchirappalli, en wordt het tijd om iets aan die bril van me te doen. In brillenwinkels vang ik bot, want daar wil men me vanzelfsprekend enkel een nieuw montuur aansmeren. Uiteindelijk beland ik in een autogarage, waar ik gebiologeerd toekijk hoe de garagist m’n bril weer aan mekaar soldeert terwijl ik er op een plastic krukje naast zit. Met z’n grove werkhanden keert en draait hij de bril, op z’n mompelend bevel reikt z’n jonge hulpje hem een tang, een vijl, eindjes koperdraad en de soldeerbout aan. Geld wil hij er niet voor, blij me te helpen en schijnbaar geamuseerd door die westerling die het vertikt een nieuwe bril te kopen. Wat ben ik toch een cheap bastard. Jawel.
5 Reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 25, 2008
Toen dof glanzend was
Dreigend opengesperde ogen tonen glanzend zwarte oogballen die pupilloos staren, de mond in een agressieve grimas. Beiden dragen ze een zwaard, en wijdbeens houden ze wacht voor de tempel van Vishnu. Die lijkt gemaakt van levende steen. Je voelt de ouderdom, de muren ademen traag hun vochtige lucht. De geur van wierrook, de geur van vleermuizen, de geur van koeien in de stalling. De beelden zien zwart, eeuwenlang gewassen met boter, melk, kokos, kurkuma en tamarinde, vermiljoen kleurt hun voorhoofd.
Een flauw schijnsel achter een geopende deur. Daar staat een halfnaakte priester met een olielamp het beeld van een slapende Vishnu langzaam toe te zwaaien. Een pilgrim ligt geknield, z’n voorhoofd raakt de grond, anderen kijken vanop een eerbiedige afstand toe - in extase, hun handen houden ze voor de borst, vervuld van de goddelijke aanwezigheid. Tiedudietudietu - de beltoon van iemands gsm schalt door de ruimte. Een pilgrim trekt z’n dhoti bij mekaar en stapt gehaast naar buiten om over de laatste beursberichten te praten.
De tempels van Kumbakonam weten te imponeren, niet door hun omvang of bijzondere artistieke afwerking, maar door de sfeer. Overal staan godenbeelden, en al gaan details verloren, geerodeerd onder de zwartgekleurde lagen, net daardoor lijken ze tot leven te komen. Het zijn geen beelden meer, maar broeihaarden van microorganismen en bacterien, zingend over het leven en de dood. De bloemenkransen waarmee ze getooid zijn doen een dansje - een polonaise van kakkerlakken die restjes boter uit het oor van Vishnu pulken.
2 Reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 27, 2008
Voor mij de zondvloed
Gisteren was het exact vier jaar geleden toen de verwoestende tsunami over de kustlijn van Tamil Nadu sloeg. Ik zit in Tranquebar, een voormalige Deense handelspost in het hart van de zwaarst getroffen regio in India - zevenduizend mensen werden hier meegesleurd in een modderstroom vol puin en geknakte bomen. Vanuit de bus zie ik recente prefabwijken - rijen van identieke simpele kotjes, kilometers verwijderd van de kust. Voormalige vissers staan er verloren bij als ze met een hengel klooien in het bruine water van een kreek, ver weg van zee.
Het historische hart van Tranquebar is merkwaardig genoeg helemaal gespaard gebleven. Het oude Deense fort ligt pal op het strand - amper twintig meter verwijderd van zee, en met haar dikke vestigingsmuren ziet het eruit alsof het daar met alle gemak nog vierhonderd jaar kan blijven staan. Binnen de muren het vreemde gebouw van de Deense Oost-India Companie dat met haar lichtbruine kleur, afgeronde hoeken, spitse kegelvormige torentjes en kleine vensters doet denken aan een moskee uit de Afrikaanse sahara. Honden liggen languit te soezen in de zon op de weg die naar de oude toegangspoort van de missie leidt, langs Lutheriaanse kerken en een nonnenklooster. Nonnen! Op een fiets.
Een korte wandeling noordelijk van het fort ligt het vissersdorp, en hier is de ravage nog steeds zichtbaar. Overal liggen bergen puin, kapotgeslagen huizen. Om niet in zo’n ver verwijderde prefab te moeten zitten, hebben sommige vissers van enkele ruines weer een bewoonbaar huis gemaakt, een verdwenen muur en dak vervangen door een constructie van bamboe en palmbladeren. De overheid heeft het strand echter doen verdwijnen onder een beschermende berg van grote ruwe rotsblokken. Komt waarschijnlijk goed van pas als in 2563 hier nog eens een vloedgolf op de kust slaat, maar nu belet het de vissers vooral om met hun boten te zee te gaan. Een opening in de barriere ligt pas een heel eind verderop naar het Noorden. Alsof de vernietigende tsunami niet volstond, lijkt het erop dat goedbedoelde maar overhaaste maatregels het economische leven hier verder ontwrichtten.
Voor het fort is er een stuk open zandstrand. Erg populair als weekendtrip voor Indiers uit de buurt, want ’s namiddags is het er heel druk. Moslim-vrouwen trekken hun zwarte burka op tot aan de enkels, en staan zo in de vloedlijn te kijken naar hun kinderen als die in hun ondergoed ravotten in de golven. Hindoe-moeders doen hetzelfde in hun beste sari’s. Ijsventers geven koeien een zachte tik als die teveel interesse vertonen in hun kraampjes. Joelende kinderen spelen verstoppertje rond de wagens die geparkeerd staan in het zand. Naast het fort een stoffige vlakte waar een stel tieners cricket speelt. Sowieso al niet de meest dynamische sport, maar als ik erbij ga zitten met m’n fototoestel, leggen ze na elke foto het spel stil om op het lcd-scherm te kijken hoe ze op hun idolen lijken.
De plek doet me deugd, want het voortdurend drukke verkeer van de laatste weken begon te wegen. Ik denk met Chidambaram nog een laatste tempelstad aan te doen, alvorens naar backpackers-enclave Mahabalipuram af te zakken om daar m’n laatste dagen te zwelgen in banana pancakes. Waarschijnlijk maak ik nog een tussenstop in het voormalig Franse Pondicherry, want daar staat het bier koud voor oudejaarsavond. En u?
Nog geen reacties » - geplaatst op reis 2008-09 INDIA door wim
December 31, 2008
Bier en bouillabaise voor Bobbie
Chidambaram bleek een zoveelste tempelstad - als ik nog een tempelcomplex zie ga ik gillen als een schoolmeisje. M’n oorspronkelijke plan was om daarna naar voormalige Franse enclave Pondicherry te trekken zodat ik er nieuwjaarsavond kon vieren met bier en bouillabaise. Bij het binnenrijden van de drukke stad leek dat me echter maar niks, en in het busstation sprong ik meteen op een andere bus die me weer het binnenland in bracht.
Ik kwam terecht in Gingee - een klein plaatsje naast een gigantisch fort, foto’s staan in de gallerij. Nog gigantischer was hun muggenprobleem, zoals me die nacht zou duidelijk worden. Af en toe schoot ik wakker als er eentje me in het neusgat vloog en maakte dan meteen van de gelegenheid gebruik om er een paar dood te meppen. Uiteindelijke stand; 42 dode muggen, 73 muggensteken. De muggen winnen en gaan door naar de volgende ronde.
En zo zit ik nu voor oudejaar in Tiruvannamalai. Uiterst bizarre plek. Er ligt een ashram aan de rand van stad, en omdat de omgeving er rustiger is dan in de hectische stoffige binnenstad heb ik een kamer genomen in een guesthouse in de buurt. De ashram zit vol Westerlingen - Amerikaanse vrouwen die aan het Annie Besant-syndroom lijden, in sari’s gekleed gaan en angstaanjagend lopen te glimlachen, ouwe grijze hippies met blitse zonnebrillen en een kale kruin, Duitse zeventigers met grote tanden die op straat een horde kleinkinderen voor zich uitjagen, backpackende twintigers in khaki broeken met 32 broekzakken en velcro-sandalen. Weirdo’s!
Weirdo’s. De ganse dag zitten ze te chanten en mediteren in de ashram, om dan ’s avonds een meter boven hun sandalen te zweven, volkorenbrood te komen eten in de German Bakery en vegetarische lasagna in het Tasty Food Cafe. Weirdo’s. Wat ik hier zelf moet komen doen is me voorlopig nog een raadsel. Lekkere lasagna, trouwens. Smaakt wel een beetje weird.