Oude berichten van Oktober, 2007

Oktober 15, 2007

One Night in Mongkok

Uit m’n vliegtuig gevallen en me een weg gezocht naar Mongkok - de drukste wijk van Hong Kong en daardoor eigenlijk het drukste stuk urbanisatie ter wereld. Dat wist ik. En ik kende Mongkok al door alle films die er zich afspelen. Dat dacht ik. Maar niets kon me voorbereiden op de massa mensen die hier over straat krioelt. Mieren zijn amateurs - in Mongkok weet men er pas een hoopje van te maken. Tussen al die waanzin een hotelletje gevonden ergens op de zevende verdieping van een oud flatgebouw, pal in het centrum van de wijk. Relatief goedkoop - zesentwintig euro per nacht - een vensterloos kruipkot. Een snelle douche later stapte ik beneden frisruikend uit de lift en zat meteen weer tot over m’n zorgvuldig gewassen oren in het hele zwetende gebeuren.

Alles roept herinneringen op aan Hong Kong-cinema, merkwaardige ervaring. Hippe jonge triad-figuurtjes met hun Japanse rebellenlook die overdadig opgemaakte grietjes met zich meesleuren. De schreeuwerige lichtreclames op Nathan Road. De miniscule shops - twee meter diepe groten van Ali Baba, piraterij in overtreffende trap. Het duwde me allemaal meteen in de richting van een bioscoop - wilde erg graag Johnnie To’s nieuwste zien, en welke plaats is daar beter voor geschikt dan een Mongkok-cinema? Een Europese arthouse-zaal, zo bleek. Hong Kong-cinema is dood. De locale programmatie bestond uit Resident Evil zoveel en nog wat andere Hollywood-producten. Morgen me de jetlag resoluut van de schouders schudden en verder op zoek naar Johnnie To’s Mad Detective.

Morgen! Benieuwd naar Mongkok bij daglicht. Ik liep hier vanavond alleszins al een paar uur grijnzend als een idioot over straat. Fantastische buurt.    

6 Reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 16, 2007

De lijn in de lucht

Vanmorgen dreef honger me in de richting van de beruchte Chungking Mansions - bekend van de openingsscenes in Wong Kar Wai’s Chungking Express. Een reusachtig, gammel gebouw dat hardnekkig standhoudt tussen alle oprukkende moderniteit op het zuidelijke stuk Nathan Road. Binnenin een wirwar aan gangetjes, miniscule shops, restaurantjes en brandonveilige guesthouses. Om de een of andere reden kompleet ingepalmd door Hong Kong’s Indische gemeenschap, deftig besnorde heerschappen die u een pak op maat maken, of zoals vanmorgen: lauwe Channa Masala met chapati’s en chai.

De Star Ferry naar Hong Kong Island was adembenemend - dat Hong Kong’s skyline vaak als ’s werelds mooiste omschreven wordt bleek volkomen terecht, en vanaf het water is ze dus - adembenemend. Twijfelde even om de rest van de dag op en neer te varen met de Star Ferry, maar de verwachte ademsnood deed me richting Peak Tram wandelen om van de hoogste top op het eiland diezelfde skyline aan m’n voeten te zien liggen. Een mens maakt wat mee.

Daarna uren lang rondgedwaald door stad, door weeral diezelfde skyline, die ik op een dag dus van boven naar onder van links naar rechts zag. En kijk - het is allemaal indrukwekkend, maar al die poepchique marmeren shopping paleizen vol rijkelui zien er eigenlijk vooral knap uit vanop een afstand. Nog een rondje rond de Mandarin Oriental uit respect voor Leslie Cheung en dan maar terug op de Star Ferry - terug naar het bruisende, smerige Mongkok - hoera!

Ik had vanmorgen trouwens een krant gekocht waarin de programmatie van de filmzalen vermeld stond - en dat zag er niet zo best uit. Het filmaanbod is veel kleiner dan ik verwachtte, met verrassend weinig eigen producties en dus vreemd genoeg - geen Johnnie To. Uiteindelijk m’n murw gewandeld lichaam neergeploft op een zeteltje en gekeken naar The Detective - eentje van de Pang Broertjes. Speelt zich af in Bangkok, waar Aaron Kwok prive-detective is in Chinatown. Een van z’n clienten stuurt hem eropuit een mysterieuze dame te vinden, en even later valt het ene lijk na het andere uit de kast. Slap verhaal dat met de typische naar overdaad neigende Pang-stijl verteld wordt. Veel aandacht ook voor de geluidstrack die met al z’n bombast enkel de saaiheid van het verhaaltje onderstreept, en op het eind wordt er nog een volstrekt overbodige bovennatuurlijke draai aan gegeven. Geen aanrader dus - al zitten er wel een paar opwindende actie-scenes in. Een paar. Leuk was wel de cinema. Het Mongkok-publiek geniet luidop van de film - er wordt vaak gelachen, en er heerst soms een druk geroezemoes om plotse wendingen.

’s Avonds nog naar Temple Street geweest - volgens alle reisgidsen ‘een must’. Don’t believe the hype - Temple Street is een schoolvoorbeeld van een ‘tourist trap’. Zoals je op de Rue des Bouchers geen Brusselaars zal aantreffen, lopen er enkel Chinezen rond als ze iets te koop hebben. “Want to buy a Rolex ?”

4 Reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 17, 2007

Jezuieten en verderf

In een bevlieging vanmiddag op de boot naar Macau gesprongen - het Aziatische Las Vegas. Vroeger was Macau een rijke Portugese kolonie maar nadat de Portugezen hun handelsroutes niet meer konden onderhouden, stelde de eens welvarende handelspost voor hen niet meer voor dan een kale rots - pakweg zeventig kilometers verwijderd van Hong Kong, waar de Britten ondertussen geld als slijk verdienden met de opiumhandel. Wat deden de Portugezen? Ze maakten het gokken er legaal en verklaarden het eerste casino geopend! Al snel werd Macau een oord van verderf - gokken en hoerenlopen, da’s zowat alles waar het de laatste eeuw om bekend stond. Oh - en z’n Jezuieten, want die zaten er ook.

Sinds 1999 hoort Macau terug bij China, en nu staat er helemaal geen rem meer op. De enige plek in China waar wettelijk gegokt kan worden, Chinezen die niets liever doen dan gokken en daar veel geld aan willen spenderen na de gigantische economische boom op het Chinese vasteland. Niet te geloven wat er de laatste paar jaren allemaal gebeurde met het rustige Macau - de kustlijn staat vol pasgebouwde luchtkastelen van protserige pracht en praal, en grote delen van de stad zijn een bouwwerf.

Opnieuw was het film wat me naar Macau lokte - m’n eerste uren spendeerde ik aan het zoeken naar het pleintje waarop Anthony Wong, Lam Suet, Francis Ng en Roy Cheung sigarenrokend op hun ex-collega zaten te wachten in ‘Exiled’. Naarstig speurwerk deed al de naam van het onbekende pleintje opduiken, maar ‘t uiteindelijk terugvinden in het labyrintische oude stadsgedeelte van Macau bleek een ander paar mouwen. Maar ik ben er geraakt! En ik rookte er dan wel geen sigaar, maar m’n laatste zelfgerolde sigaret. Vanaf nu zijn ‘t enkel nog Chinese sigaretten - kijk niet verbaasd als ik achteloos plasjes bloed over m’n schouder begin te spugen.

Zowat de ganse dag zoet geweest in de heuvelachtige historische stadswijk van Macau met haar mooie mix van Zuid-Europese en Aziatische invloeden. De bekende kerk van San Paolo bezocht - je weet wel, waar enkel de voorgevel nog van recht staat. Daar werd me echter de toegang ontzegd omdat een of andere hoogwaardigheidssnor er net een bezoek bracht. Het hotel uit ‘Exiled’ vond ik ook, en dat bleek ook al een kerk te zijn. Vreemd genoeg stonden alle gevels nog recht. Daarna terecht gekomen in een klassieke Chinese tuin, die de landschapstuinen van de buurt rond Suzhou probeerde na te bootsen. Dat deed hij echter zonder de gigantische mensenmassa’s, maar met enkele stramme oudjes die op een bank tegen mekaar zaten op te scheppen over hun leeftijd.

Op een uurtje tijd terug naar Hong Kong, hotsend en botsend met de jetfoil. Scheren deed die! Over de golven! Zoals het een jetfoil betaamt - zeker als de firma zichzelf veelbelovend ‘Turbojet’ noemt en de helft van de passagiers de reis doorbrengt met het gezicht in een kotszakje. Teruggekomen op Hong Kong Island was de avond gevallen en fuck! - wat is het centrum van de stad prachtig ’s avonds. Dacht dat ik ondertussen al blasee op de Star Ferry richting Mongkok kon stappen, ongeinteresseerd kijkend naar de vloer, maar ik zat weer als een kind - een kind zeg ik u! - met grote ogen te kijken naar - weeral - de skyline. Die skyline en ik - volgens mij wordt dat nog wat, want ik blijf erover bezig. Skyline. Kijk! Daar doe ik het weer.

Morgenvroeg vertrek ik naar China!

U bent alle 1.300.000.000 gewaarschuwd.

4 Reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 18, 2007

Plons de gekke rochel

Door slaapgebrek vanmorgen om zes uur met een lijkbleke kop Mongkok verlaten. Was blij van dat kamertje verlost te zijn, want een eigen badkamer is natuurlijk een aangename luxe als je low budget reist, maar in m’n vensterloos kot hing daardoor een voortdurende muffe, vochtige lucht. Zes uur ’s morgens lijkt vroeg, om een vliegtuig te halen op het middaguur in Chinese grensstad Shenzhen, maar in China hanteert men de irritante regel dat je minstens twee uur voor vertrek moet inchecken. Geen idee waarom, misschien om zorgvuldig met een kammetje door je bagage te gaan, alles uit te stallen en er mee te poseren voor een camera in obscene houdingen om achteraf thuis er eens goed mee te lachen over een glas warme Shingtao. Dit is slechts een vermoeden, weet alleen dat ik het zo zelf zou doen.

De luchthaven ligt meer dan dertig kilometer verwijderd van Shenzhen en ik had nog geen idee hoe er te raken - een luie taxi wilde ik zeker niet. Een ochtendtrein genomen vanuit Mongkok Station die zich op een dik halfuur via de bizarre satellietsteden van Hong Kong noordelijk werkte, naar de Chinese grens. Dat 1997 nog maar tien jaar geleden is viel daar meteen op - de grens was een soort brede slotgracht aan weerszijden door Chinese autisten voorzien van prikkeldraad, glasscherven en camera’s. Maar de overgang zelf verliep gelukkig erg soepel, moest wel invullen of ik enige rare besmettelijke ziekte zou hebben opgelopen en het grote middenrijk binnenbracht. ‘No’, kruiste ik aan, en deed m’n best om m’n kriebelende keel te negeren, want m’n vochtig kruipkot in Hong Kong heeft me een natte hoest bezorgd.

Eens de grens over sta je daar plots op een gigantisch plein, en kon ik op zoek naar een busje richting luchthaven. Meteen werd duidelijk dat er een groot verschil is tussen de Engelse kennis in Hong Kong en China - had dat eerlijkgezegd niet verwacht al te merken in Shenzhen. Maar er kwam al een wijsvinger en m’n Mandarijns Phrasebook aan te pas. Wat een avontuur. Vooral toen dat boekje plots explodeerde! In het gezicht van de buschauffeur! Neen - geen idee waarom ik hier loop te vermelden hoe ik op zoek ging naar zo’n onnozel busje. Misschien omdat haast geen enkele rugzaktoerist zich de kleine moeite getroost, zo lijkt het haast alsof het wel een hele onderneming moet zijn. Maar dat is het dus niet, wandel wandel, blablabla, busje in.

Even wachten tot er genoeg passagiers zijn, en wij zijn weg voor een rit van bijna een uur. Eerst door Shenzhen - dat toont hoe Chinezen vooral met gigantische fallussymbolen hun hervonden welvaart willen tonen. Weinig subtiele torens die hoog, hoger, hoogst gaan met vanboven dan nog een flinke eikelachtige bol, om alle twijfel weg te nemen waar het hier om draait. Over een uitstekende nieuwe expressweg naar de luchthaven, waar ik dus veel te vroeg al zat om in slaap te vallen in de hal, en wakker te schrikken door een muzakversie van ‘Now I Wanna Be Your Dog’.

De vliegreis verliep uitstekend en stipt - met als in-flight movie een documentaire over Stephen Chow (!) - en nu zit ik met een enorm suffe kop in Chengdu. Zonet een tweetal uurtjes door stad gewandeld, en ik kan de Chinese rochel-en-spuug gewoonte meteen ontzettend waarderen. M’n natte hoest lokte blikken vol bewondering van omstaanders die goedkeurend brommend toekeken hoe ik om de twintig meter zorgvuldig m’n keel- en neusinhoud over het trottoir deed spatten. Heerlijk.

Nog geen reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 18, 2007

Gemopper, gegier en gegibber

Het is al laat, en ik ben moe, maar ik besluit nog even wat te gaan wandelen in de buurt. Op een klein straatje vol oude bouwvallige krotjes passeer ik een duistere krocht, achter in de kleine ruimte een flikkerend beeld - een ouwe Kung Fu film!

Geen idee om welke het gaat, ik herken geen enkele van de acteurs, maar ik stap naar binnen en word onthaald door een luid miauwende kat die voor m’n voeten wegvlucht. Ik ga dan maar meteen zitten op een van de oude houten banken achteraan, op de bank naast me zit een rare tiep thee te slurpen van een porseleinen mok met een sigaret tussen de vingers, vlak voor het scherm zie ik het achterhoofd van een tweede. 

Het oude vrouwtje waarlangs ik me een weg naar binnen wurmde, schrikt wakker van het kabaal en trekt me terug naar buiten, ondertussen komt er wat onverstaanbaars vanuit haar tandeloze mond - het klinkt wel Chinees! Ik buig m’n hoofd tot ik kleiner ben dan haar, en daar kicken die oude tandeloze vrouwtjes hier wel op. Ik gebaar dat ik naar binnen wil, en ze wijst me een plek aan vlak voor de rare tiep.

Daar zit ik dan, in een oud soort filmzaaltje, er krult me een rijpe geur in de neus die erop wijst dat het plekje z’n houdbaarheidsdatum al lang verstreken zag. De tiep achter me zit voortdurend vanalles binnensmonds te raaskallen - in het Chinees, zo lijkt het! Ik trek me op het smalle bankje helemaal naar de vuile muur, en leg m’n hoofd ertegen, zodat ik hem het zicht niet belemmer. Ik tracht vooral de stank te negeren, en hoop dat hij zo met z’n gemopper stopt. Na een minuutje houdt hij ermee op en begint in plaats grinnikend de filmdialogen te herhalen. Ondertussen draait m’n tweede gezel vooraan in het kamertje zich af en toe om en giert van de pret bij sommige scenes. Ik versta niets van de film - volgens mij is ‘t in ‘t Chinees! - maar ‘t is plezant.

Daar is oud tandeloos vrouwtje weer. Ze stoot me tegen de elleboog en ploft een kop thee voor me neer. Ik graai dan maar in m’n zakken, en trek er een biljet uit dat in de duisternis als een klein bedrag voelt, weet ik veel. Ik duw het in haar handen, ze draait het naar het licht, en lacht al haar tandgebrek bloot. Geen flauw idee wat ik haar gaf. Film - de film, niet op de stank letten, niet op de vreemde brokken die ik tussen m’n lippen heb zitten als ik van de thee proef.

In het flikkerend licht zie ik opeens dat er voortdurend kakkerlakken over de muur lopen. Langzaam trek ik m’n hoofd er van weg. De film - de film, niet op de stank letten, niet op de brokken die tussen m’n tanden blijven zitten, niet op de kakkerlakken, en zeker niet op de tiep achter me die nu weer aan ‘t mopperen slaat. De film. ‘t Lijkt eentje van eind jaren zeventig - voelt eigenlijk aan als zo’n goedkope productie uit Taiwan, kan zoiets tot hier geraakt zijn? Veel dwaze humor - daar wijst het gekraai en gegibber vooraan de zaal me op, veel vlieg- en stuntwerk tijdens de vechtscenes.

Als we plots een scene te zien krijgen waarin een oud ventje door een bandiet langs achter in houdgreep genomen wordt - met een mes op de keel tot hij z’n wapperende geldbiljetten afgeeft - voel ik me toch ongemakkelijk worden terwijl ik daar zit met al m’n geld en papieren op zak en een klaarblijkelijk waanzinnige achter me in de duisternis. Akkoord - de grijsaard ontpopt zich als Kung Fu Master en spingt vijf meter de lucht in, deelt rake klappen uit met z’n paraplu en trekt de bandiet de broek af alvorens hem een pak op de billen te geven - maar ik besluit dat ik er even genoeg van heb en maak me een weg naar buiten, een plotse jeuk in de haren.

Dank u wel, oud tandeloos vrouwtje.

4 Reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 19, 2007

Hurkende tijger, verborgen beton

De bus genomen naar - allemaal tegelijk - Huanglongxi, een klein plaatsje, een uurtje busreis ten zuiden van Chengdu. Het busstation ligt op een vijftal kilometers van m’n hotel, en er raken met het openbare vervoer was niet evident - ik heb wel een stadsplannetje met de busroutes kunnen bemachtigen, maar de ganse binnenstad ligt opgebroken omdat men er een metrosysteem bouwt.

Is de binnenstad van Chengdu al een bouwwerf, de buitenwijken staan vol kranen en hoge appartementscomplexen in aanbouw. De penissymboliek van Shenzhen blijft achterwege - waarschijnlijk is die vooral te wijten aan Hong Kong aan de overkant, pure intimidatie; “Hong Kong, kijk ‘ns naar onze gigantische penissen!” - neen, hier nog betrekkelijk smaakvolle nieuwbouw. Alles lijkt trouwens nieuw - de autowegen, de bruggen, de tunnels - alsof er gisteren nog karresporen liepen. Geen grote sprong voorwaarts - een hink-stap-sprong met vierhonderd  meter sprint voorwaarts. Tussen al die moderniteit in aanbouw ook evenveel sloopwerken. Hier en daar staan er nog oudere gebouwen - simpele dozen van grijs cement in sobere sovjetstijl - maar ze verdwijnen, de meesten liggen al tegen de vlakte.

Huanglongxi is een klein dorpje waar nog wat oude Qing-dynastie tempelcomplexen en woningen bespaard zijn gebleven van de culturele revolutie. En er is weeral een link met film - stukken van Crouching Tiger, Hidden Dragon zijn er opgenomen. Jawel. Meteen was het ook m’n kennismaking met de Eftelingisering van China’s verleden. Rond de oude woningen en tempels heeft de overheid een fake dorpje gebouwd. Van ver ziet het er heel mooi en authentiek uit, maar nader onderzoek toont hoe de houten pallisades van bruin geverfd beton zijn en de muren van betonnen prefab-platen. Binnenin shops - de ene winkel naast de andere met kleurrijke rotzooi.

Vreemd is dat ik er maar twee andere westerlingen zag op de drie uur uur die ik er doorbracht. Deze plek richt zich op de Chinese toerist, in hordes zakken ze naar het plaatsje af. Troepen van mensen met allemaal dezelfde kleur van pet op de kop, die slaafs hun grote roerganger volgen. In dit geval een reisleider die parmantig vooraan loopt met een megafoon en een grote vlag in de kleur van zijn roedel petjes.

De enkele authentieke plekjes waren mooi en door z’n onwezenlijke nepsfeer had de rest van het plaatsje toch een zekere charme. Moet wel zeggen dat je heel veel fantasie moet hebben om je Zhang Ziyi’s vederlichte gehuppel over de pannendaken te kunnen voorstellen terwijl de groene reisleider in je oor brult dat de achterste rij van de groep moet aansluiten, graag. Kwam er vooral op neer al de brulboeien te vermijden en de juiste hoekjes om te slaan, waarna je opeens weer struikelde over de pijprokende oudjes en dames die een wandelingetje maken met hun kwispelende avondeten.

Nog geen reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 19, 2007

Adolfo en Maria

Adolfo en Maria - zo heten ze, het Spaanse koppel dat vandaag arriveerde in m’n hotelletje. Adolfo spreekt nauwelijks Engels, en Maria helemaal niet. Waarschijnlijk geen probleem in een land als China - want met Engels raak je hier toch niet ver. Adolfo is een beer van een vent, met een baard en een brilletje, en hij knoopt een moeizaam gesprek met me aan. Langzaam en stotterend, vol gefrustreerde molendraaiende gebaren, alsof hij zo het gesprek in een hogere versnelling kan krijgen.

Maria zit er ondertussen zwijgend bij, een krampachtige glimlach als gebeeldhouwd op het gelaat. Af en toe draait Aldolfo zich naar haar toe en vertaalt enkele zinnen in het Spaans, zodat ze ons gesprek kan volgen. Een gesprek over wat? Over de grens met Tibet, die zopas voor individuele reizigers door de overheid gesloten werd. Enkel met een strikt gecontroleerde tourgroep geraak je er nog binnen. Ik vind het in Chengdu al te koud, geen haar op m’n hoofd dat eraan denkt het Tibetaanse plateau op te zoeken. Zo zeg ik het tegen Adolfo. 

Het begon als een klein spoor van slijm dat in dikke druppels over de linkerslaap van Maria langzaam naar beneden liep. Achteloos probeerde ze het nog naar achter te strijken, door haar lang zwart krullende haar, om daarna in een poging tot nonchalance haar vingers onder tafel af te vegen, ondertussen over m’n schouder naar een ongedefinieerd punt starend. Adolfo lijkt er helemaal niets van te merken - hij slaat met z’n vuist het ritme van z’n gestamel en probeert me over Shanghai te vertellen, waar ze de week voordien verbleven. 

Bij Maria begint het te klodderen, te lopen, er is geen houden meer aan tot plots met een zachte zucht haar schedel opensplijt, vlak onder de haargrens, en ze tegenover me zit met een hersenpan die opengeslagen ligt, me haar zwakjes pulserend brein tonend als een gigantisch grijs weekdier, lichtjes krimpend onder de koele avondlucht van Chengdu. Ik drink nog ‘ns van m’n lauwe Shingtao. 

1 Reactie » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 20, 2007

De bultenaar van de Notre Dame

Vanmorgen naar de bank gewandeld om van de grootstad gebruik te maken en als vanzelfsprekend met m’n bankkaart geld uit de Chinese Muur te halen. Schrok toen ik de kaart tevoorschijn toverde, want ze bleek helemaal geplooid in m’n geldbeugel te zitten. Voorzichtig weer recht gekregen en alles ging als een tiet.

M’n geldbeugel draag ik achter m’n broek. Door alle bankbiljetten die er nu inzitten tekent zich daar een onnatuurlijke bult af, die blikken van ontzetting ontlokt aan de vrouwen die me op straat passeren en wiens ogen onwillekeurig afdwalen naar m’n kruis. Niet dat ik hier een probleem van wil maken.

Met al die grote bankbiljetten - letterlijk - op zak naar de supermarkt gegaan, waar ik er probleemloos mee kan betalen en zo wat kleinere biljetten weerkrijg, die nodig zijn om langs straat wat te kunnen kopen. De supermarkt biedt zo ongeveer alles. Je kan gewoon naar China komen zonder ook maar enige bagage - er is hier niets wat je niet kan vinden.

Misschien beeld ik me wat in, maar het lijkt alsof de oudjes er met de handen in de rug nog steeds vol verwondering rondkuieren, betoverd door het gigantische aanbod dat maar relatief recent is, veronderstel ik. Alles heeft een hoge standaard van hygiene en de ruimte is aangenaam ingericht - maar dan zie je de gebraden hondenkarkassen in de vleesafdeling en merk je weer in China te zijn.

In de drankafdeling stond de Shingtao aan 29 eurocent voor een halve literfles, ook Heineken stond in de rekken, maar m’n blik dwaalde meteen af naar Chinees gebrouwen Pabst Blue Ribbon! “Heineken? Fuck that shit! Pabst Blue Ribbon!” Gooide er een hoop geroosterde bonen en pitten bovenop in m’n mandje, en wat kleine tetrablikjes melk - de volgende weken brengen me op plekken waarvan ik niet zeker ben genoeg eiwitten in m’n eten te kunnen krijgen.

Tot hiertoe valt het trouwens goed mee vegetarisch eten te vinden. In Hong Kong was het soms even zoeken, maar kon je steeds terugvallen op de Indische restaurants van Chungking Mansions. Ik vond er ook een grote shopping mall waar ze een take-away counter hadden met, naast de varkens- en andere gerechten, ook een vegetarische sectie. Vrij goedkoop en steeds volwaardige gerechten die ik daarna op een bank in het belendend parkje kon naar binnen slurpen.

Hier in Chengdu heeft m’n hotelletje een restaurant waar ze de locale specialiteit - pikante tofu met varkensgehakt - als ik erom vraag zonder gehakt bereiden. Even verderop is er ook een oud boeddhistisch tempelcomplex waar een openbaar restaurant aan verbonden is dat enkel vegetarische gerechten serveert. Daar kan ik dus lukraak eender wat op m’n bord laten scheppen, en ‘t is erg lekker.

De volgende twee dagen trek ik naar Langzhong, zou een klein stadje zijn een beetje noordoostelijk van hier, met een goed bewaard gebleven stadskern. Zeldzaam in China, waar de drang naar vernieuwing overal losjes doorheen bulldozert. Daarna verplichten de buslijnen me om voor een nacht terug te keren naar Chengdu, en daags nadien trek ik zuidwaarts. Chengdu is ondanks z’n grootte een aangename plek om te vertoeven, dus als een echte verplichting ervaar ik het niet.

En nu ga ik nog wat over straat slenteren - pronkend met m’n bult.

Nog geen reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 20, 2007

Het volk en haar plein

Centraal in Chengdu ligt het Plein van het Volk - een uitgestrekte vlakte temidden de glazen torens. In 1997 is daarvoor de islamitische wijk platgegooid, maar laten we daarover niet moeilijk doen - het is een plein - voor het volk! Aan de noordzijde van het plein een reusachtig beeld van Mao tussen goed onderhouden bloemperken, aan zijn voeten een vijver, honderd meter in lengte, die vol staat met fonteinen. Elke avond klinkt er een of andere patriottische hymne terwijl het volk - op haar plein - toekijkt hoe de fonteinen beginnen te spuiten.

O Mao hoe krachtig uw stralen
Uw kloten zo groot als een stier
Waar blijft u de kracht toch maar halen
Uw prostaat een gigantische klier

Moest het niet zo hautain klinken zou ik het haast vertederend noemen hoe de samengetroepte massa met kinderlijke verwondering op het schouwspel staat te gapen - “woah !” als de fonteinen plots vijf meter in de hoogte spuiten. En ze zijn met veel, duizenden, ganse families - het lijkt voor velen een echte uitstap. Overal fotocamera’s, met z’n allen poseren voor Mao’s beeld.

4 Reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 21, 2007

De karaokebus

Na Nanchong bleek de weg in erbarmelijke staat, wat de buschauffeur deed besluiten luid toeterend tegenliggers op het andere rijvak de stuipen op het lijf te jagen als spookrijder, omdat daar het wegvlak minder gehavend was. In China heerst dezelfde wegcode als elders in Azie - het grootste voertuig heeft voorrang. Zelfs al rijdt ze op het verkeerde baanvak, iedereen moet de baan ruimen want hier komt ze - hier komt de toeterende karaokebus!

Aan de andere kant van het gangpad heeft een dame zich in haar eentje op de twee zitplaatsen gezet. Ze scheurt een lap uit de schil van een sinaasappel om haar neus in het vruchtvlees te steken. Ogen stijf dichtgeknepen zit ze daar, krampachtig voorover gebogen, haar voorhoofd steunend tegen de rugleuning van de zetel voor haar, lippen getuit, de neus in een appelsien.

Ze draagt de klederdracht van boerinnen wereldwijd bij een uitstap naar de stad. Een samenraapsel van de beste kleren uit de kast. Nauwelijks gedragen schoenen in zwart leer, een nette donkerblauwe broek, een roze-lichtblauw gestreepte blazer met fijne lijntjes bovenop een bruine trui. Haar beste kleren - ongetwijfeld - en erg netjes in z’n stijve formaliteit, maar samen vormen ze een smaakloos geheel - alles lijkt op z’n minst een decennium uit de mode.

De bus vertraagt voor een verkeerslicht. Jammerend trekt ze haar neus uit de sinaasappel en begint luidruchtig te braken in de emmer die aan haar voeten staat. Chinezen zijn merkwaardig vlug wagenziek. Your kung fu is very strong, but your stomach is very weak.

De rest van de passagiers doet z’n best om mevrouw niet in schaamte te brengen en blijft netjes staren naar het televisiescherm vooraan de bus. Daarop speelt zowat de ganse rit een luide Karaoke-vcd, hier en daar neuriet iemand halfslachtig een liedje mee, terwijl een zoete, weee kotsgeur de bus vult. Ik krijg zin om m’n neus in een sinaasappel te steken. Zeker als mevrouw zich kermend languit strekt over de zetels, op haar buik draait en met haar gat in de lucht knallende scheten begint te laten, vaagweg in mijn richting.

De busrit duurt vijf uur - halverwege is het genoeg Karaoke geweest voor een dag en krijgen we film. Terminator 2, met Arnold Schwarzenegger gedubd in het Mandarijns met een Oostenrijks accent.

“Huitou jian, baby” - hasta la vista, baby.

Nog geen reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 22, 2007

Het eetpatroon van de industriele stofzuiger

Vanaf straat klinkt de galop van een paard. Even later luide stemmen aan de voordeur, het lijkt op geruzie. De deur slaat open. Met zwierige tred loopt Ti Lung over de binnenplaats en beklimt de trap met grote passen, twee treden tegelijk. Hij bonst op mijn kamerdeur. Ik zit in de Dujia Kezhan en waan me in een Shaw Brothers-productie.

De Duija Kezhan is een courtyard-woning, enkele eeuwen oud en na lange leegstand terug in gebruik genomen als hotel. Alles is in hout, een langgerekte woonst, centraal liggen in mekaar overlopende binnenkoertjes met rondom de balustrades van de eerste verdieping. Overal staan authentieke meubels, tegen de muren hangen schilderijen en calligrafie.

Langzhong is een klein plaatsje in het Noordoosten van Sichuan. De oude stadskern is uitzonderlijk goed bewaard - een aangename plek om door te dwalen. ’s Morgens volop activiteit op de vroegmarkt, ’s namiddags kan je er verpozen in de klassieke theehuizen en na zonsondergang sfeervolle verlichting met overal op straat rode lampionnen.

De conservatie van de binnenstad is vooral te wijten aan Langzhong’s slabakkende economie. Het is een arm stadje, de krachtige vernieuwingsdrang die de rest van China zo kenmerkt is eraan voorbijgegaan. Ondertussen heeft men in China door de groeiende middenklasse het binnenlandse toerisme ontdekt, en wordt er geld gestoken in het behoud van Langzhong’s patrimonium.

Een beklimming van de toren bovenop de oude stadspoort toont een zee van grijze pannendaken. Hier en daar kan je de binnenkoertjes zien, waar de was hangt te drogen, of vanwaar het geklik van Mahjongblokken weerklinkt. Achter de toren maakt de rivier een lus rond de stad, voor de toren zie je in de verte een langgerekte heuvel waar de daken van klassieke paviljoenen zich boven aftekenen, terwijl aan de voet de armzalige flatgebouwen van het nieuwe stadsgedeelte liggen.

Een wandeling door de stad bracht me in het Fengshui-museum. Eerst had ik de plek voor mezelf, maar na een tijdje werd blijkbaar gesignaleerd dat er een westerling in het gebouw liep, want een Engelstalige gids stapte op me af. Engelstalig bleek in dit geval veel gezegd. Hij bracht bizarre klanken voort met af en toe een woordje verstaanbaar Engels, in z’n handen een paar vellen papier waarop de tekst stond die hij me dacht voor te lezen.

In China krijg je het Engels nooit te horen - Louya bleek de taal enkel uit boeken geleerd te hebben en wist absoluut niet hoe de klanken voort te brengen - waardoor een zin als ”Langzhong is a great place and has brought up numerous outstanding personages”, klonk als “Langzhong is a giet pees en haas broet up noe-e-oes outstnedg psooneij” - af en toe stond er wat in ‘t pinyin bijgekribbeld om fonetisch hulp te bieden. Was echt geen touw aan vast te knopen, op een moment schoten we samen in de slappe lach, waarop ik hem dan maar vroeg of hij zin had in een glas thee.

Voor ik het goed en wel besefte zat ik die avond met Louya, z’n vrouw en hun dochtertje in een restaurant noedels te slurpen, met mekaar communicerend door Engelse zinnen op papier te schrijven. In tegenstelling tot de klankenbrij die hij voortbracht, bleek z’n geschreven Engels vrij goed. Toch zorgde het voor bizarre momenten, want vaak leek hij Chinese uitdrukkingen letterlijk in het Engels te vertalen. Wat zeg je bijvoorbeeld als je aan ‘t eten bent en iemand met een bloedserieus blik een blad papier voor je legt waarop staat geschreven - “Do you feel your food?”

Omdat Louya m’n avondeten betaalde, meende ik hem de volgende dag een wederdienst te bewijzen, en stapte ’s morgens naar z’n kantoortje om hem te vragen of hij een bandrecorder had. M’n bedoeling was de Engelse tekst voor te lezen zodat hij die achteraf kon beluisteren om in de toekomst Westerse bezoekers van het museum een rondleiding te geven in ‘t Engels. Weliswaar met een Vlaams accent, maar alleszins beter verstaanbaar dan wat hij er nu uitbraakte. Een bandrecorder - daarmee zat ik het te zeer in antiek te zoeken, zo bleek, want z’n schoonbroer werd opgetrommeld en even later zat ik voor een computer in een microfoon te praten, zodat hij een mp3 kon opslaan van de gesproken tekst.

Ik dacht hiermee Louya te kunnen bedanken voor het diner van de avond voordien, maar dat was buiten de Chinese gastvrijheid gerekend. Hij nam de namiddag vrijaf om me de stad rond te leiden en betaalde me weeral middag- en avondeten, zelfs nadat ik erop aandrong dat hij mij een keer liet betalen - zeker nadat bleek dat mijn - bescheiden - Belgische loon zowat het tienvoudige van het zijne was.

Tijdens het eten ontpopte de zacht sprekende Louya zich trouwens steeds tot een soort slurpmachine, die als een industriele stofzuiger z’n eten naar binnen zoog. Blijkbaar de gewone gang van zaken hier, maar hoezeer ik m’n best ook deed lustig mee te smakken - het slurpvolume bleek onevenaarbaar. M’n pogingen ontlokten enkel gelach bij de andere klanten van het restaurant, waarna me weer gevraagd werd of ik het eten voelde.

Jazeker! Ik voel het!

4 Reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 24, 2007

Stuiterende balletjes

In de waan dat het langsats waren, fruit dat ik al niet meer gezien had sinds Indonesie, bleek ik een halve kilo lichi’s gekocht te hebben. Ze zagen er nochtans helemaal niet uit als de lichi zoals we die bij ons in het warenhuis vinden - kleine gele balletjes, ongeveer zoals wat ik vanmorgen gehurkt deed stuiteren tegen het witte porselein van het toilet.

De ganse dag door Chengdu geslenterd, na Langzhong leek het op een thuiskomen. De stad bleek anders bijlange na al haar geheimen nog niet prijsgegeven te hebben. Ik was al vroeg op pad en trok naar het stadspark, dat zijn kleine oppervlakte uitstekend weet te benutten - je waant je in een veel groter stuk groen door de slimme indeling met overal ommuurde secties die van inrichting volledig van elkaar verschillen. Een rotstuin, een vijver met kanjers van Koi-karpers, een gaanderij onder sierlijke boompjes, pleintjes, fonteinen, speeltuig voor de kinderen. En overal oudjes - ze staan met mekaar te dansen onder de bomen terwijl oubollige walsmuziek klinkt, in helgekleurde trainingspakken doen ze aan tai chi in groepsverband of in een paviljoen zitten ze wat met mekaar te zeveren, slurpend aan dampende mokken thee.

Een lange wandeling bezorgde me daarna een onbedaarbare hoestbui in de wierrookwalmen van een taoistisch tempelcomplex. Tempelmoeheid zet al op, er is weinig variatie te ontdekken in de gebouwen, en ik heb het gevoel dat ik het ondertussen al gehad heb met die Chinese tempels. Hier was wel leuk dat achter een grote hal er een muur stond waarin drie gigantische gelukbrengende symbolen stonden gebeeldhouwd. Je zag er groepen bezoekers een voor een met gesloten ogen ronddraaien om dan blindelings op de muur af te lopen, armen uitgestrekt. Luid gejoel als eentje zo een van de symbolen wist aan te raken.

Tegen het middaguur kwam ik voorbij een Indisch restaurant, en dat leek me wel wat. Niet alleen als variatie op de Chinese kost van de laatste dagen, maar ook in de veronderstelling even van dat geknoei met die Chinese stokjes verlost te zijn. Niet dat het me erg moeilijk afgaat, maar ik had weleens zin in een lepel. En een vork. Het eten was lekker, maar bleek een Chinese benadering van de Indische keuken te zijn - groene dahl en frietvormige aardappelen in de alu gobi. Madhur Jaffrey huilt bittere tranen.

Wandelen in Chengdu is een vreemde ervaring. Er zijn veel - heel veel - motorfietsen, maar die rijden allemaal op electriciteit. Je hoort ze dus niet aankomen. Ze hebben wel een belachelijk klinkende claxon, waar je makkelijk overheen gaat met het geluid van je gerochel, en die klinkt zo ridicuul dat ik weiger ervoor uit de weg te gaan. Dat zorgt voor bizarre momenten, als aan een rood licht een troep van honderd brommertjes staat te wachten, het licht op groen springt en de ganse troep vertrekt - geruisloos.

De vrouwen van Chengdu lijken geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Het Westerse cliche wil dat Chinese vrouwen gracieuze poppetjes zijn, maar hier zijn het vrouwen die met beide poten stevig op de grond staan. Als je hip wil zijn in Chengdu moet je als vrouw de haren lang dragen, met krullen en een bruine spoeling. Vestjes houden ze liefst op een vrouwelijk roze, afgezet met een rand in nepbond. Let op de harde korsten in de pels, te wijten aan slechtgemikte fluimen. Jeansbroek liefst zo strak mogelijk - Chengdu’s vrouwen hebben trouwens helemaal geen billen, vormloze knokige konten - en daaronder cowgirl boots. Die cowgirl look gaat ver - velen lopen alsof ze net van een paard gestapt komen, benen wijd en vaak brede heupen. De Chinese een-kind politiek moet hen tegen de gekrulde haren instrijken, met overal die overtuigend kindbarende heupen.

Morgen verlaat ik Chengdu en begin aan m’n lange zuidwaartse tocht richting Hong Kong - neen maar!

6 Reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 25, 2007

Proper ondergoed

In Zigong vond ik een hotel in de binnenstad, vlak aan de lokale Rue Neuve. Aan de receptie sprak men geen woord Engels, en pantomime bracht me eerst op de vijfde en daarna de zesde verdieping, waar ze me trots hun kamers toonden. Die waren in prima staat, zeker die op het zesde, waar men me niet weinig fier op het vaste tapijt wees. Ik kreeg een van de luxueuze kamers op het zesde voor de prijs van de betegelde kamers op ‘t vijfde - hotelpersoneel is hier altijd te vinden voor een onderhandeling over de prijs, lijkt de gewone gang van zaken, zo kostte de kamer me een schappelijke twaalf euro.

Nader onderzoek van de kamer bracht aan het licht dat ik in een soort koppeltjes-hotel was beland. Tegen de muur een ingekaderde topless foto van een ongewoon voluptueuze Chinese dame, een pakje met condooms naast het bed - zelfs een condoom in de badkamer. Verder nog een kartonnen doosje waar veelbelovend ‘katoenen sexy ondergoed’ op vermeld stond. Tegen de deur hing een blad omhoog met de prijzen voor al dat comfort.

Zigong had ik anders verwacht - er waren een tweetal oude tempels verbouwd tot sfeervolle theehuizen en een bijzonder fraaie gildenhal die nu het plaatselijke museum huisvestte - maar het stadje had verder weinig te bieden. Wel wat gewandeld op een kleurvolle markt, heel levendig en met een smerig ongewassen randje dat de provincialiteit van het stadje verraadde.

Bij zonsondergang terug naar m’n hotel geslenterd, m’n katoenen sexy ondergoed aangetrokken en heerlijk geslapen.

Nog geen reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 26, 2007

Blame it on the boogie

Er geraken bleek minder voor de hand te liggen dan verwacht, maar toen de bus de bergen introk en we over kronkelende wegen door een prachtig landschap reden, was ik blij dat ik voor de moeilijke route naar het Zuiden had gekozen.

’s Morgens vroeg vanuit Zigong de bus genomen naar Luzhou een paar uur verderop, een lelijk en druk stadje waar ik eerst te horen kreeg dat de buslijn die me verder zuidwaarts zou leiden vertrok vanuit het tweede busstation aan de andere kant van stad. Daar bleek de eerstvolgende bus naar Chishui pas drie uur later te rijden, waardoor ik al die tijd moest zoek raken in het plaatsje. Aangezien de stad me helemaal niet aansprak, wat beschuiten gekocht aan een kraampje op straat en me geinstalleerd in de hal van het busstation met een boek.

Eerst staken we de bovenloop van de Yangzi-rivier over, waar grote transportschepen zich een weg westwaarts maakten, om na een uurtje de bergen in te trekken en al snel reden we langs dramatisch gapende afgronden, de berghellingen volledig begroeid met wuivende bamboe waarvan de metershoge toppen zich onder de bergwind bogen als een groene golvende zee - een prachtig zicht. De weg was in redelijke staat, maar aangezien de baan zich langsheen de bergflanken zuidwaarts kronkelde verliep de reis erg traag.

Het mooie landschap zorgde ervoor dat ik vol verwachting uitkeek naar mijn bestemming - in de Rough Guide werd Chishui omschreven als een rustig klein bergplaatsje vanwaar je een tiental kilometer verderop een parkgebied kon intrekken temidden al die bamboe. Groot was dan ook mijn teleurstelling toen we tegen zonsondergang eindelijk het plekje binnenreden - de informatie in een reisgids voor een dynamisch land als het huidige China bleek al achterhaald voor de inkt droog is.

Wat vroeger misschien een rustig plekje genoemd kon worden was ’s lands zoveelste bouwwerf. Een reusachtige wijk vol nieuwe appartementsblokken stond in de stelling, en ik wik mijn woorden - reusachtig, groot genoeg om een paar tienduizend mensen in te huisvesten. Patsboem, temidden de bergen. In Chinshui gonsde het daardoor van de activiteit, de straten en gevels bestoft door cement, het stadje dreunend onder de toeterende af en aan rijdende vrachtwagens, overal bouwvakkers met een contingent aan prostituees in hun kielzog.

Toen ik van de bus stapte werd ik in het busstation aangesproken door een onverzorgde dikke vrouw die me ‘binguan binguan’ toeriep - hotel hotel. Vanuit de bus had ik op de hoofdweg niets gezien dat op een hotel leek, dus ik volgde haar naar een hotelletje vlakbij, door een nauwe smerige gang, de muren besmeurd, op de eerste verdieping een ingestampte deur waarachter een hoop vuilnis gesmeten lag, op de tweede een duistere kamer vol vervallen meubilair, slechts verlicht door het geflikker van een groot televisietoestel waar een graatmagere twintiger met aarzelende baardgroei onderuitgezakt voor lag te gapen, naast hem in de zetel vier verschrikt kijkende hoertjes.

Ze loodste me een kamer binnen die ze me aanbood voor veertig yuan - vier euro. Het stonk er naar urine - er was een prive-badkamer met toilet voorzien maar dat bleek in dit geval een minpunt - en ze lag vlak naast de luide televisie. Ik maakte aanstalten om te vertrekken. In de trappenhal gebaarde ze me haar naar boven te volgen. De derde verdieping bood nog meer kamertjes, veel kleiner maar op het eerste zicht iets beter onderhouden. Twintig yuan voor een bed. De busrit had me erg vermoeid en ik stemde dan toch maar in. Ze bracht me naar de gedeelde badkamer op het einde van de hal, die moest dienen voor de ganse verdieping - de vloer vol moddersporen van de inhuizende bouwvakkers en weeral diezelfde stank. De badkamer een smerige douchekop waar je, balancerend boven de stinkende hurktoilet onder kon staan. Eindelijk kunnen plassen na de lange busrit, mikkend om de strontresten van de vorige gebruiker mee te spoelen.

Zuchtend naar m’n vensterloze kamertje getrokken. Er stonden twee bedden - de overtrek van eentje gesierd door een opgedroogde spermavlek, waardoor ik dan maar voor het andere opteerde. De dekens stonken intens, leek alsof je er een krachtige bouillon van kon trekken en dat die allesbehalve vegetarisch zou zijn. Op de muren stond vanalles gekrast, overal vlekken van onherkenbare oorsprong. Er werd op de deur geklopt - mevrouw kwam me een vuile thermos thee brengen en een geblutst plastic bekertje. Ik bedankte haar en zette de thermos ver van me weg in een hoek.

Even later kwamen de werklui thuis. Gestommel vanop de gang, luide stemmen. De muren van m’n kamertje reikten tot een meter onder het plafond, de rest was muskietengaas waardoor het leek alsof ze naast me in de kamer stonden te roepen naar mekaar. Ik ging naar buiten om wat te eten te zoeken en vond enkel restaurants waar grote reclamepanelen kwispelende honden toonden en gestroopte hondenbillen boven de kookpotten hingen te wiebelen. Ik stapte dan maar een winkeltje binnen en kocht er wat fruit.

In m’n kamertje een beetje ongemakkelijk op de rand van bed mandarijnen en bananen zitten eten, wachtend tot de badkamer vrij was. Ik hield het op een kattenwasje boven de pompbak, terwijl een zatte bouwvakker achter me binnenkwam en klaterend gebruik maakte van de wc. Toen ik terugkeerde stond hij me op te wachten in de gang - hij droeg een oud legervest, zijn ogen stonden troebel en hij sliste wat dronken praat vantussen zijn tanden. Hij wilde me volgen in m’n kamer maar ik sloeg de gammele deur voor z’n neus dicht. Alle dekens op het spermabed gegooid en met m’n kleren aan bovenop het properste bed gaan liggen, een onrustige nacht waarin ik meermaals wakker schrok van zat gestommel en geroep, getoeter op straat, piepende bedden en simultaan gekreun.

5 Reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 27, 2007

Highway to hell

Als een stadsnaam als “Chongqing” wordt geschreven in westerse lettertekens, en als je weet dat je de “q” als “tsj” moet uitspreken, hoe klinkt die naam dan volgens jou? Probeer het eens - “Chongqing”. Onthou dit.

Mijn slechte nachtrust zorgt ervoor dat ik rond half zeven uur ’s morgens m’n hotel verlaat, vanuit m’n kamer hoorde ik dat er al bussen uitrijden van het belendende busstation en ik kan niet wachten om dit kutstadje te verlaten - mijn volgende bestemming is Zunyi, een zevental uur verderop in zuidoostelijke richting. 

In de duisternis staan drie busconducteurs luid hun bestemmingen te roepen - eentje roept ‘Zunyi Zunyi’. Ik stap op haar af - ‘Zunyi ma?’, vraagt ze en ik knik. Aan de loketten koop ik een ticket - ‘Zunyi’ en ik probeer de uitspraak na te bootsen van de conductrice. 110 Yuan - da’s meer dan ik verwachtte voor de busrit, maar ik kan geen lijn trekken op de busprijzen - veel lijkt af te hangen van het comfort van de bus en of die al dan niet de betere tolwegen gebruikt. Ik word op een ronkend gevaarte gewezen, vertrekkensklaar. Prima - nog geen vijf minuten en we rijden al uit.

Een halfuur later zijn we pakweg drie kilometer gevorderd omdat we voortdurend vastzitten in de modder. Het hulpje van de chauffeur loopt naast de bus en door telkens stenen aan te dragen en die onder de wielen te steken raken we langzaam verder. Ondertussen valt me op dat de Chinese lettertekens op m’n ticket en op de voorruit van de bus niet overeenkomen met die van Zunyi zoals ze in m’n Rough Guide staan. Wijzend op mijn ticket en op de lettertekens van Zunyi, tracht ik de man naast me te vragen of deze bus wel naar Zunyi rijdt. ‘Zun-yi’, hij herhaalt langzaam mijn woorden. ‘Zunyi’, knik ik. Hij legt me iets uit, geen idee wat, maar het klinkt geruststellend en lijkt me iets te maken te hebben met busverbindingen vanuit een andere stad. Okee - waarschijnlijk zit ik dus tenminste in de juiste richting te reizen.

Twee uur rijden we over een verschrikkelijk slechte bergweg. Alles ligt opgebroken door wegenwerken, de baan slechts een modderspoor langs diepe afgronden. De rammelende bus schokt heftig in alle richtingen en iedereen zit voortdurend te stuiteren op de zetels. Opeens staan we stil. Voor ons een lange rij bussen en vrachtwagens, in de verte een gele kraan die rotsblokken van de weg verwijdert.

Drie uur later staan we er nog.

Soms stap ik uit om de benen te strekken en een sigaretje te roken, binnenin de bus speelt constant luide Karaoke muziek. Vrouwen uit de buurt ploeteren door de modder langsheen de rij stilstaande bussen en proberen wat bij te verdienen, op hun rug rieten manden vol snelle hapjes. Allemaal vlees - ik eet m’n aangebroken pak droge beschuiten verder op en de geroosterde sojabonen die ik in Chengdu kocht.

Iets na de middag zet de colonne zich scheurend weer in gang. Tenminste - iedereen behalve onze bus - onze chauffeur is spoorloos. Vanuit de verte komt hij aangehold, maar we worden voorbijgestoken door tientallen voertuigen alvorens verderop de hele boel weer vastrijdt. Nog een half uur later - de bus dit keer startensklaar - komt er eindelijk weer beweging in de rij. Hotsend en botsend, kreunend onder de slechte weg zetten we de tocht verder.

Na een uurtje stoppen de wegenwerken en is de baan verhard. ‘Verhard’ - ik ben gul met mijn omschrijving - veel meer dan in de modder gereden kiezelstenen stelt het niet voor. Traag hutsen en klutsen we verder. De streek is lelijk - we rijden door mistroostige, armzalige dorpjes - dat de Chinese economie op twee versnellingen draait wordt overduidelijk. Over alles hangt een grijze waas door de luchtvervuiling, schijnbaar in het wilde weg groeves en bergen steenkool, een smerige filmlaag over alle plantengroei, rotte en zwart gekleurde waterplassen - het voelt aan als je reinste roofbouw. Erbarmelijke levensomstandigheden, de meeste huizen niet meer dan krotten, de mensen langs straat zien er ongezond en intriest uit. De bus vertraagt nooit als we door de armoedige plaatsjes rijden, de chauffeur leunt op de claxon en iedereen holt voor zijn leven.

In een van die dorpjes heeft een vrachtwagen zich klemgereden in de berm, hij staat dwars over straat, blijkbaar op de koop toe met motorpech en blokkeert zo alle verkeer. Onze chauffeur tracht zich er langzaam voorbij te manoeuvreren. Als het erop lijkt dat dit ons in de afgrond aan de andere kant van de weg kan doen belanden stap ik naar de voordeur en gebaar dat ik wil uitstappen. Vanaf de weg zie ik dat ons linkerwiel nog maar half op de baan rust, en de bus slechts enkel centimeters verwijderd is van een val. Voorzichtig draait en keert de bus zich naar achter en staan we weer zoals eerst. Er steekt een paar benen vanonder de defecte vrachtwagen en als men die eindelijk weet te fiksen en uit de berm haalt kunnen we verder.

Ondertussen maak ik me toch zorgen over onze uiteindelijke bestemming, en mijn phrasebook wordt weer bovengehaald, samen met een kaartje van de streek. Ik vraag of iemand me kan aanduiden waar we ons eigenlijk bevinden. Met vier staan ze over me gebogen en de meeste vingers wijzen op de bergen noordoostelijk van Chishui. Fuck. Verder zoekwerk maakt duidelijk dat de onbekende Chinese tekens op mijn ticket die van Chongqing zijn. Ik wijs naar de tekens - ‘Chongqing’, zeg ik en sla mezelf voor het hoofd. ‘Zun-yi’, zegt de rest van de bus. Ik wijs op de lettertekens voor Zunyi. ‘Zunyi’, zeg ik. ‘Zun-yi’ roept de bus. Vervloekt zijn mijn westerse oren die er nauwelijks verschil in ontdekken.

Chongqing is de economische dynamo van centraal China. Een van China’s grootste steden, met zware industrie en een gigantisch smogprobleem. Een stad die ik liever wilde vermijden. Een stad op zes uur rijden van Chengdu. Een stad die me dus bijna helemaal weer op de start van mijn route brengt, volledig in de verkeerde richting. Vergelijk het met de bus naar Parijs willen nemen vanuit Brussel en terecht komen in Berlijn.

Meestal wijs ik op de lettertekens van mijn bestemming bij het kopen van een busticket, en ik verwens mezelf dat ik dat die ochtend niet gedaan heb. Ik zit mezelf op te vreten. De verschrikkelijke rit die me op de koop toe absoluut niet brengt waar ik heen wil. De dag voordien ook al de ganse dag op de bus. De rotnacht in het hotel van Chenshui. Twee dagen nauwelijks gegeten. De deprimerende streek waardoor we rijden. Ik voel me gekraakt. Voel me alsof China me genekt heeft.

China levert me communicatieproblemen op zoals ik ze nog nooit heb meegemaakt. Met mijn phrasebook probeer ik soms wat zinnen te zeggen, maar men verstaat me nooit ofte nooit, waardoor ik het allang heb opgegeven en meestal gewoon wijs op de Chinese tekst. Door haar tonale systeem is een correcte uitspraak erg belangrijk, maar ik weet absoluut niet hoe de juiste klanken uit mijn strot te wringen. De fonetische vertalingen in mijn phrasebook helpen amper - dat de taal zich haast niet laat gieten in het Westerse schrift is me al duidelijk. Het Engels helpt je hier trouwens niets verder. Niemand spreekt het - je kan net zo goed Swahili met de mensen praten. De Chinezen lijken niet te beseffen dat een doorsnee buitenlander van hun taal totaal niets verstaat. Als iemand me weer wat probeert duidelijk te maken en ik slechts verontschuldigend kan lachen omdat het me in de oren klinkt als ‘Chang ping plong’ - weet ik veel - dan herhalen ze alles nog eens langzaam, keurig articulerend, alsof ik het zo beter zou verstaan, ‘Chhhaaaanng…piiiinng…ploooonnng’. U-huh.

We houden halt aan een vuil restaurantje en iedereen verdwijnt naar het schijthuisje achterin. Ik moet erg plassen en volg de groep. Boven de deur staat in het Chinees geschreven - Abandon hope all ye who enter here. Duisternis binnenin en een stank die haast tastbaar in de lucht hangt. Ik maak me een weg richting geklater en als mijn ogen wennen aan de duisternis zie ik dat ik sta te zeiken in een met drollen gevulde stenen trog, en kan ik aan de feestelijke decoratie met stront op de grond, de muren en het plafond opmaken dat het schijthuisje zopas uitbundig zijn vijftigste verjaardag vierde. Ik kan me voorstellen hoe de enkele keutels toch in de trog terecht zijn gekomen, en prijs me gelukkig dat ik me aan die evenwichtsoefening niet hoef te wagen.

Ondanks het infernale schijthuis knort mijn maag. De kok veegt zijn handen af aan zijn besmeurde schort en wenkt me binnen in de keuken, waar al een paar van mijn medepassagiers druk op de uitgestalde eetwaren staan te wijzen. Ik waag me aan het Chinees, ‘Wo chi su’ zeg ik - ik eet groenten. ‘Chi su, chi su’ zegt de kok en tussen alle vleesschotels wijst hij vragend op een soort rapensoep die in een kom staat. Ik knik, blij dat ik voor een keer verstaan word. Ik zie ook een teil met verse tofu staan, ‘Doufu’ zeg ik. De kok knikt en twee minuten later krijg ik een kommetje rijst en een bord soep waarin grote stukken tofu drijven. Uitgehongerd vis ik alles met stokjes in mijn mond en voel me meteen stukken beter.

Terug op de bus neem ik me voor er het beste van te maken. Chongqing heeft een treinstation, en met wat geluk kan ik dezelfde avond de nachttrein richting Guiyang nemen, wat me weer een flink stuk op zuidelijke koers zet. Na de stop voor het avondeten komen we eindelijk in het Yangzi-bassin terecht wat voor een vlakke baan zorgt en naarmate we Chongqing naderen, tolhuisjes en uitstekende expresswegen.

Het is acht uur als we de stad binnenrijden, ik neem een taxi naar het treinstation en kan er een ticket kopen voor de nachttrein van kwart na negen, jammer genoeg is er geen plaats meer in de slaapwagons en moet ik genoegen nemen met een ticket voor een zetelplaats. Later spreek ik op de trein een kaartjesknipster aan en die weet me voor een bijbetaling toch nog een slaapplaats te regelen - een rit van elf uur, ik strek me uit en het geschommel van de trein wiegt me zachtjes in slaap.

5 Reacties » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim

Oktober 31, 2007

Ding Dong

Ondertussen mijn derde dag in Zhaoxing - sta me toe dat ik even klink als een reisbrochure. Zhaoxing is een prachtig plaatsje op het platteland in een gebied waar de meeste bewoners horen tot de culturele minderheid van de Dong, een bevolkingsgroep die verwant is met bergstammen die reiken tot in Laos, Vietnam en Myanmar. 

Het kleine dorpje bestaat volledig uit houten woningen, stevig gebouwd want zelfs van de oudere gebouwen staan alle muren nog loodrecht. Overal zijn sierlijke geometrische patronen in verwerkt, ‘t zijn mooie huisjes. Centraal loopt de enige verharde weg, waar kippen verontwaardigd kakelend gaan lopen voor het gemotoriseerd verkeer dat af en aan rijdt, vooral tot busjes omgevormde tractors die passagiers vervoeren tussen de verschillende dorpen.

Aan de structuur van het dorp is op te maken dat dit vroeger anders was, de meeste huizen liggen langs een stel kunstmatige aangelegde waterlopen, door de Dong eeuwen geleden gekanaliseerd vanaf de nabijgelegen rivier. Over het klaterende water doen afgezaagde boomstammen dienst als brug, maar enkele van die bruggen zijn kunstig bewerkt tot overdekte gaanderijen. Verspreid over het dorp torenen hoge puntige constructies boven alles uit - drumtorens, in tijden van stammenoorlog gebruikt om met getrommel de boeren op het veld te waarschuwen voor nakend gevaar, maar die tijden zijn lang vervlogen en nu doen ze vooral dienst als vergaderplaats en liggen buffels er loom onder te kauwen of zitten mensen met gekruiste benen te roddelen over de buurvrouw.

Er hangt hier een heel andere sfeer dan in het China van de Han Chinezen, je waant je soms in Zuid-Oost Azie - gezichten staan vriendelijk, alles gaat veel gemoedelijker, de omgeving krijgt meer respect toebedeeld en oogt frisgroen met in de vallei rond het dorpje overal rijstvelden, terrasbouw tegen de flanken van de omliggende bergen.

Het toerisme is langzaam aan het oprukken naar het afgelegen dorpje - ik verblijf in een gloednieuw hotel uitgebaat door een vriendelijke familie. Een uitstekende kamer, lekker eten en zelfs een internetverbinding zodat ik me ’s avonds wat heb kunnen amuseren met het bijwerken van mijn blog - een prima plek om even mijn batterijen op te laden. Die waren plat - na de nachttrein van Chongqing naar Guiyang was ik bij aankomst meteen op een bus gesprongen voor weeral een vermoeiende rit van tien uur, en drie dagen onafgebroken reizen hebben het rode leger doen marcheren in mijn darmen - ik blijf voorlopig best in de buurt van een toilet, even geen bussen meer. 

Al drie dagen in Zhaoxing - op een gammel krukje zit ik langs straat een boek te lezen, slenter wat door het dorp of ga wandelen over de smalle paadjes tussen de rijstvelden, voorzichtig balancerend om ventjes met een Mao-pet en kromme beentjes te laten passeren, soms achternagezeten door blaffende schurftige honden als ik hun stukje rijstveld betreed, zich duidelijk nog niet bewust van hun uiteindelijke lot in de pot. Overal stromen beekjes om de velden te bevloeien, af en toe moet je er eentje oversteken, springend van steen tot steen, in de verte een heuvel, bovenop de huizen van een ander dorp met dampende schoorstenen die me eraan doen denken dat het etenstijd is. 

Het leven is mooi.

Zolang er zon, muziek en Will Tura’s zijn.

1 Reactie » - geplaatst op reis 2007 CHINA door wim