Als een stadsnaam als “Chongqing” wordt geschreven in westerse lettertekens, en als je weet dat je de “q” als “tsj” moet uitspreken, hoe klinkt die naam dan volgens jou? Probeer het eens - “Chongqing”. Onthou dit.
Mijn slechte nachtrust zorgt ervoor dat ik rond half zeven uur ’s morgens m’n hotel verlaat, vanuit m’n kamer hoorde ik dat er al bussen uitrijden van het belendende busstation en ik kan niet wachten om dit kutstadje te verlaten - mijn volgende bestemming is Zunyi, een zevental uur verderop in zuidoostelijke richting.
In de duisternis staan drie busconducteurs luid hun bestemmingen te roepen - eentje roept ‘Zunyi Zunyi’. Ik stap op haar af - ‘Zunyi ma?’, vraagt ze en ik knik. Aan de loketten koop ik een ticket - ‘Zunyi’ en ik probeer de uitspraak na te bootsen van de conductrice. 110 Yuan - da’s meer dan ik verwachtte voor de busrit, maar ik kan geen lijn trekken op de busprijzen - veel lijkt af te hangen van het comfort van de bus en of die al dan niet de betere tolwegen gebruikt. Ik word op een ronkend gevaarte gewezen, vertrekkensklaar. Prima - nog geen vijf minuten en we rijden al uit.
Een halfuur later zijn we pakweg drie kilometer gevorderd omdat we voortdurend vastzitten in de modder. Het hulpje van de chauffeur loopt naast de bus en door telkens stenen aan te dragen en die onder de wielen te steken raken we langzaam verder. Ondertussen valt me op dat de Chinese lettertekens op m’n ticket en op de voorruit van de bus niet overeenkomen met die van Zunyi zoals ze in m’n Rough Guide staan. Wijzend op mijn ticket en op de lettertekens van Zunyi, tracht ik de man naast me te vragen of deze bus wel naar Zunyi rijdt. ‘Zun-yi’, hij herhaalt langzaam mijn woorden. ‘Zunyi’, knik ik. Hij legt me iets uit, geen idee wat, maar het klinkt geruststellend en lijkt me iets te maken te hebben met busverbindingen vanuit een andere stad. Okee - waarschijnlijk zit ik dus tenminste in de juiste richting te reizen.
Twee uur rijden we over een verschrikkelijk slechte bergweg. Alles ligt opgebroken door wegenwerken, de baan slechts een modderspoor langs diepe afgronden. De rammelende bus schokt heftig in alle richtingen en iedereen zit voortdurend te stuiteren op de zetels. Opeens staan we stil. Voor ons een lange rij bussen en vrachtwagens, in de verte een gele kraan die rotsblokken van de weg verwijdert.
Drie uur later staan we er nog.
Soms stap ik uit om de benen te strekken en een sigaretje te roken, binnenin de bus speelt constant luide Karaoke muziek. Vrouwen uit de buurt ploeteren door de modder langsheen de rij stilstaande bussen en proberen wat bij te verdienen, op hun rug rieten manden vol snelle hapjes. Allemaal vlees - ik eet m’n aangebroken pak droge beschuiten verder op en de geroosterde sojabonen die ik in Chengdu kocht.
Iets na de middag zet de colonne zich scheurend weer in gang. Tenminste - iedereen behalve onze bus - onze chauffeur is spoorloos. Vanuit de verte komt hij aangehold, maar we worden voorbijgestoken door tientallen voertuigen alvorens verderop de hele boel weer vastrijdt. Nog een half uur later - de bus dit keer startensklaar - komt er eindelijk weer beweging in de rij. Hotsend en botsend, kreunend onder de slechte weg zetten we de tocht verder.
Na een uurtje stoppen de wegenwerken en is de baan verhard. ‘Verhard’ - ik ben gul met mijn omschrijving - veel meer dan in de modder gereden kiezelstenen stelt het niet voor. Traag hutsen en klutsen we verder. De streek is lelijk - we rijden door mistroostige, armzalige dorpjes - dat de Chinese economie op twee versnellingen draait wordt overduidelijk. Over alles hangt een grijze waas door de luchtvervuiling, schijnbaar in het wilde weg groeves en bergen steenkool, een smerige filmlaag over alle plantengroei, rotte en zwart gekleurde waterplassen - het voelt aan als je reinste roofbouw. Erbarmelijke levensomstandigheden, de meeste huizen niet meer dan krotten, de mensen langs straat zien er ongezond en intriest uit. De bus vertraagt nooit als we door de armoedige plaatsjes rijden, de chauffeur leunt op de claxon en iedereen holt voor zijn leven.
In een van die dorpjes heeft een vrachtwagen zich klemgereden in de berm, hij staat dwars over straat, blijkbaar op de koop toe met motorpech en blokkeert zo alle verkeer. Onze chauffeur tracht zich er langzaam voorbij te manoeuvreren. Als het erop lijkt dat dit ons in de afgrond aan de andere kant van de weg kan doen belanden stap ik naar de voordeur en gebaar dat ik wil uitstappen. Vanaf de weg zie ik dat ons linkerwiel nog maar half op de baan rust, en de bus slechts enkel centimeters verwijderd is van een val. Voorzichtig draait en keert de bus zich naar achter en staan we weer zoals eerst. Er steekt een paar benen vanonder de defecte vrachtwagen en als men die eindelijk weet te fiksen en uit de berm haalt kunnen we verder.
Ondertussen maak ik me toch zorgen over onze uiteindelijke bestemming, en mijn phrasebook wordt weer bovengehaald, samen met een kaartje van de streek. Ik vraag of iemand me kan aanduiden waar we ons eigenlijk bevinden. Met vier staan ze over me gebogen en de meeste vingers wijzen op de bergen noordoostelijk van Chishui. Fuck. Verder zoekwerk maakt duidelijk dat de onbekende Chinese tekens op mijn ticket die van Chongqing zijn. Ik wijs naar de tekens - ‘Chongqing’, zeg ik en sla mezelf voor het hoofd. ‘Zun-yi’, zegt de rest van de bus. Ik wijs op de lettertekens voor Zunyi. ‘Zunyi’, zeg ik. ‘Zun-yi’ roept de bus. Vervloekt zijn mijn westerse oren die er nauwelijks verschil in ontdekken.
Chongqing is de economische dynamo van centraal China. Een van China’s grootste steden, met zware industrie en een gigantisch smogprobleem. Een stad die ik liever wilde vermijden. Een stad op zes uur rijden van Chengdu. Een stad die me dus bijna helemaal weer op de start van mijn route brengt, volledig in de verkeerde richting. Vergelijk het met de bus naar Parijs willen nemen vanuit Brussel en terecht komen in Berlijn.
Meestal wijs ik op de lettertekens van mijn bestemming bij het kopen van een busticket, en ik verwens mezelf dat ik dat die ochtend niet gedaan heb. Ik zit mezelf op te vreten. De verschrikkelijke rit die me op de koop toe absoluut niet brengt waar ik heen wil. De dag voordien ook al de ganse dag op de bus. De rotnacht in het hotel van Chenshui. Twee dagen nauwelijks gegeten. De deprimerende streek waardoor we rijden. Ik voel me gekraakt. Voel me alsof China me genekt heeft.
China levert me communicatieproblemen op zoals ik ze nog nooit heb meegemaakt. Met mijn phrasebook probeer ik soms wat zinnen te zeggen, maar men verstaat me nooit ofte nooit, waardoor ik het allang heb opgegeven en meestal gewoon wijs op de Chinese tekst. Door haar tonale systeem is een correcte uitspraak erg belangrijk, maar ik weet absoluut niet hoe de juiste klanken uit mijn strot te wringen. De fonetische vertalingen in mijn phrasebook helpen amper - dat de taal zich haast niet laat gieten in het Westerse schrift is me al duidelijk. Het Engels helpt je hier trouwens niets verder. Niemand spreekt het - je kan net zo goed Swahili met de mensen praten. De Chinezen lijken niet te beseffen dat een doorsnee buitenlander van hun taal totaal niets verstaat. Als iemand me weer wat probeert duidelijk te maken en ik slechts verontschuldigend kan lachen omdat het me in de oren klinkt als ‘Chang ping plong’ - weet ik veel - dan herhalen ze alles nog eens langzaam, keurig articulerend, alsof ik het zo beter zou verstaan, ‘Chhhaaaanng…piiiinng…ploooonnng’. U-huh.
We houden halt aan een vuil restaurantje en iedereen verdwijnt naar het schijthuisje achterin. Ik moet erg plassen en volg de groep. Boven de deur staat in het Chinees geschreven - Abandon hope all ye who enter here. Duisternis binnenin en een stank die haast tastbaar in de lucht hangt. Ik maak me een weg richting geklater en als mijn ogen wennen aan de duisternis zie ik dat ik sta te zeiken in een met drollen gevulde stenen trog, en kan ik aan de feestelijke decoratie met stront op de grond, de muren en het plafond opmaken dat het schijthuisje zopas uitbundig zijn vijftigste verjaardag vierde. Ik kan me voorstellen hoe de enkele keutels toch in de trog terecht zijn gekomen, en prijs me gelukkig dat ik me aan die evenwichtsoefening niet hoef te wagen.
Ondanks het infernale schijthuis knort mijn maag. De kok veegt zijn handen af aan zijn besmeurde schort en wenkt me binnen in de keuken, waar al een paar van mijn medepassagiers druk op de uitgestalde eetwaren staan te wijzen. Ik waag me aan het Chinees, ‘Wo chi su’ zeg ik - ik eet groenten. ‘Chi su, chi su’ zegt de kok en tussen alle vleesschotels wijst hij vragend op een soort rapensoep die in een kom staat. Ik knik, blij dat ik voor een keer verstaan word. Ik zie ook een teil met verse tofu staan, ‘Doufu’ zeg ik. De kok knikt en twee minuten later krijg ik een kommetje rijst en een bord soep waarin grote stukken tofu drijven. Uitgehongerd vis ik alles met stokjes in mijn mond en voel me meteen stukken beter.
Terug op de bus neem ik me voor er het beste van te maken. Chongqing heeft een treinstation, en met wat geluk kan ik dezelfde avond de nachttrein richting Guiyang nemen, wat me weer een flink stuk op zuidelijke koers zet. Na de stop voor het avondeten komen we eindelijk in het Yangzi-bassin terecht wat voor een vlakke baan zorgt en naarmate we Chongqing naderen, tolhuisjes en uitstekende expresswegen.
Het is acht uur als we de stad binnenrijden, ik neem een taxi naar het treinstation en kan er een ticket kopen voor de nachttrein van kwart na negen, jammer genoeg is er geen plaats meer in de slaapwagons en moet ik genoegen nemen met een ticket voor een zetelplaats. Later spreek ik op de trein een kaartjesknipster aan en die weet me voor een bijbetaling toch nog een slaapplaats te regelen - een rit van elf uur, ik strek me uit en het geschommel van de trein wiegt me zachtjes in slaap.